Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4410

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200201738/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201738/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant], wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "NS Railinfrabeheer B.V.", gevestigd te Utrecht,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2002, kenmerk 365/96, heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2001,

no. E03.98.1223, een aantal voorschriften verbonden aan de bij besluit van 6 juli 1998 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning voor een spoorwegemplacement op het perceel [locatie] te [plaats], gewijzigd dan wel ingetrokken. Daarnaast hebben zij hun besluit op onderdelen anders gemotiveerd. Dit besluit is op 18 februari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 25 maart 2002, bij de Raad van State per fax ingekomen op 25 maart 2002, en appellante sub 2 bij brief van 28 maart 2002, bij de Raad van State per fax ingekomen op 29 maart 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 september 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1 en appellante sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2003, waar appellanten sub 1, van wie J[…] in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. I.M.I. van den Bergh, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is appellante sub 2 als vergunninghoudster gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Voorzover appellanten sub 1 in hun beroepschrift bezwaren hebben aangevoerd met betrekking tot overwegingen van verweerder in de considerans van het bestreden besluit, zonder dat deze bezwaren zich richten tegen concrete voorschriften, overweegt de Afdeling dat de overwegingen van een besluit dienen ter motivering daarvan doch als zodanig geen op zelfstandig rechtsgevolg gericht onderdeel van het bestreden besluit vormen. Het beroep van appellanten sub 1 treft in zoverre geen doel.

Voorzover appellanten sub 1 in hun beroepschrift aangeven bevreesd te zijn dat verweerder de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zal handhaven, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en om die reden niet kunnen slagen.

2.2. Appellanten sub 1 stellen zich op het standpunt dat verweerder bij de voorbereiding van het aan de orde zijnde besluit ten onrechte wel met vergunninghoudster maar niet met hen in overleg is getreden.

2.2.1. De Afdeling overweegt dat de Algemene wet bestuursrecht noch de Wet milieubeheer verweerder de verplichting oplegt om in een geval als dit, wanneer verweerder na vernietiging van een aantal voorschriften een nieuw besluit neemt, in overleg te treden met al degenen die destijds bedenkingen hebben ingebracht. Evenmin kan met vrucht worden gesteld dat de handelwijze van verweerder om wel overleg te plegen met vergunninghoudster doch niet met appellanten sub 1 in dit geval in strijd is met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Het beroep van appellanten sub 1 kan in zoverre niet slagen.

2.3. Appellanten sub 1 stellen dat verweerder ten onrechte voorschrift 10.1, inzake de wijze waarop geluidniveaus van industrielawaai moeten worden gemeten en berekend, ambtshalve heeft gewijzigd.

2.3.1. Verweerder betoogt dat de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van maart 1981 inmiddels is vervangen door de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999. Gelet hierop heeft hij aanleiding gezien voorschrift 10.1 ambtshalve aan te passen.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat verweerder de vernietigde voorschriften 10.2 en 10.4 heeft vervangen door voorschriften waarin als beoordelingsgrootheid het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt gehanteerd. Deze beoordelingsgrootheid is afkomstig uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de wijziging van voorschrift 10.1 voortvloeit uit de vernietiging van de voorschriften 10.2 en 10.4. Het beroep treft op dit punt geen doel.

2.4. Appellanten sub 1 betogen dat verweerder in de voorschriften 10.2 en 10.3 ten onrechte hogere geluidgrenswaarden heeft gesteld dan de door de Afdeling vernietigde geluidgrenswaarden. Voorts achten zij de omschrijving van winter- en zomerperiode ontoereikend en achten zij het op sommige beoordelingspunten geringe verschil in geluidniveau tussen de winter- en zomertijd onvoldoende onderbouwd, gelet op de omstandigheid dat overstand een belangrijke geluidbron is in de wintertijd. Voorts zouden in de voorschriften 10.2 en 10.3 voor bepaalde punten conflicterende waarden zijn opgenomen.

2.4.1. In voorschrift 10.2 had verweerder aanvankelijk equivalente geluidgrenswaarden opgenomen die afgestemd waren op de bedrijfssituatie in de winterperiode. Bij haar uitspraak van 5 september 2001,

no. E03.98.1223, heeft de Afdeling overwogen dat verweerder aanleiding had moeten zien om in voorschrift 10.2 een gedifferentieerde normstelling op te nemen. Naar aanleiding daarvan zijn in het bestreden besluit in voorschrift 10.2 de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uitgesplitst naar de winter- en de zomerperiode. Verweerder heeft voor de winterperiode op diverse beoordelingspunten evenwel hogere geluidgrenswaarden gesteld dan in het vernietigde voorschrift het geval was. Ter zitting heeft appellante sub 2 (vergunninghoudster) onweersproken gesteld dat deze hogere geluidgrenswaarden een gevolg zijn van de omstandigheid dat de berekeningen dit maal op onjuiste uitgangspunten zijn gebaseerd. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten. Het beroep treft in zoverre doel. Aangezien niet duidelijk is geworden of ook de geluidgrenswaarden voor de zomerperiode zijn gebaseerd op verkeerde berekeningen, ziet de Afdeling aanleiding voorschrift 10.2 in zijn geheel te vernietigen. Gelet hierop behoeft naar het oordeel van de Afdeling niet te worden ingegaan op de beroepsgrond van appellanten sub 1 over het geringe verschil tussen de geluidgrenswaarden voor de zomer- en voor de winterperiode.

2.4.2. Met betrekking tot het in voorschrift 10.2 gemaakte verschil tussen de winter en de zomer, overweegt de Afdeling dat verweerder bij het bestreden besluit de begrippen "zomerperiode" en "winterperiode" aan de begrippenlijst heeft toegevoegd. Deze begrippen zijn naar het oordeel van de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, zodanig geformuleerd dat voldoende objectief bepaalbaar is welke van die twee perioden zich in een bepaald geval voordoet en welke geluidgrenswaarden dientengevolge gelden.

Voorzover appellanten sub 1 hebben gesteld dat de in voorschrift 10.3 opgenomen piekgeluidgrenswaarden hoger zijn dan in het vernietigde voorschrift 10.3, mist het beroep feitelijke grondslag. Deze waarden zijn voor alle beoordelingspunten gelijk gebleven.

Voorzover appellanten sub 1 hebben gesteld dat de voorschriften 10.2 en 10.3 conflicterende waarden bevatten voor dezelfde punten, overweegt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de omgeving van de inrichting sprake is van hoogbouw, waardoor op bepaalde plaatsen meerdere beoordelingspunten zijn opgenomen met een verschillende beoordelingshoogte. De berekende geluidbelasting is daarvan mede afhankelijk.

Het beroep van appellanten sub 1 treft op deze punten geen doel.

2.5. Appellanten sub 1 kunnen zich er niet mee verenigen dat pas met ingang van 1 januari 2004 de in de voorschriften 10.4 en 10.5 opgenomen strengere geluidgrenswaarden gelden. Appellante sub 2 kan zich niet verenigen met de in voorschrift 10.5 gestelde piekgeluidgrenswaarden. Volgens haar kan aan deze waarden, die per 1 januari 2004 moeten gaan gelden, niet worden voldaan vanwege het binnen de inrichting voorkomende rem- en booggeluid. Volgens appellante sub 2 kunnen wel maatregelen worden getroffen om het aantal piekgeluiden terug te dringen, maar niet om de hoogte van die piekgeluiden te reduceren.

2.5.1. Verweerder stelt dat hij zich voor de stelling dat aan voorschrift 10.5 zal kunnen worden voldaan, baseert op het akoestisch rapport van november 2000. In dit rapport wordt volgens verweerder aangegeven dat door het treffen van voorzieningen aan de normen kan worden voldaan.

2.5.2. Ingevolge de voorschriften 10.4 en 10.5 dienen de daarin opgenomen equivalente geluidgrenswaarden en piekgeluidgrenswaarden eerst één jaar later nageleefd te worden dan in de oorspronkelijke geluidvoorschriften was bepaald.

Ingevolge voorschrift 10.5 mogen in afwijking van voorschrift 10.3 met ingang van 1 januari 2004 de piekniveaus (Lmax) die een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, gemeten in de meterstand "F" (fast), op de in voorschrift 10.2 genoemde punten niet meer bedragen dan 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. De hiervoor genoemde waarde in de nachtperiode is, ten aanzien van de geluidniveaus veroorzaakt door het passeren van wissels en bogen en het remmen van rangerende treinen, niet van toepassing op beoordelingspunt 36. Op het beoordelingspunt 36 is, als gevolg van de geluidniveaus, voor de nachtperiode een maximale waarde van 61 dB(A) toegestaan.

2.5.3. De Afdeling overweegt dat uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is gebleken dat niet op 1 januari 2003 doch eerst per

1 januari 2004 door vergunninghoudster zal kunnen worden voldaan aan de in voorschrift 10.4 gestelde equivalente geluidgrenswaarden. Eerst op dat moment zullen zowel alle werkzaamheden aan het emplacement als project PRIL 1b, inhoudende maatregelen aan het rollend materieel, zijn voltooid. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat per 1 januari 2004 moet worden voldaan aan de in voorschrift 10.4 gestelde equivalente geluidgrenswaarden. Het beroep van appellanten sub 1 treft in zoverre geen doel.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt voorts dat in ieder geval niet vóór 1 januari 2004 aan de in voorschrift 10.5 gestelde piekgeluidgrenswaarden kan worden voldaan. Het beroep van appellanten sub 1 kan ook in zoverre niet slagen.

Met betrekking tot de vraag of per 1 januari 2004 zal kunnen worden voldaan aan de in voorschrift 10.5 gestelde piekgeluidgrenswaarden, overweegt de Afdeling dat in het door verweerder bedoelde rapport van dgmr van 3 november 2000 (rapportnummer G94.0669.E) alleen de piekgeluiden zijn beschouwd die in de inrichting optreden ten gevolge van het rijden over wissels. Uit het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak blijkt dat in dit rapport ten onrechte geen aandacht is geschonken aan het in de inrichting optredende booggeluid; volgens het deskundigenbericht zal dit geluid ondanks bronmaatregelen af en toe hoge piekgeluidniveaus blijven veroorzaken. Door zich voor de vraag of per

1 januari 2004 aan de in voorschrift 10.5 opgenomen piekgeluidgrenswaarden kan worden voldaan te baseren op het genoemde rapport van dgmr, heeft verweerder in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten. Het beroep van appellante sub 2 treft in zoverre doel.

2.6. Appellanten sub 1 stellen dat verweerder ten onrechte bepaalde voorschriften heeft gewijzigd die niet zijn vernietigd bij de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2001. Het betreft de voorschriften 10.6, 10.9 en 10.10. Voorts zijn volgens appellanten sub 1 ten onrechte bepaalde voorschriften ingetrokken, te weten de voorschriften 7.11 en 10.12.

2.6.1. Ingevolge voorschrift 10.6 dient ten einde aan de voorschriften 10.4 en 10.5 te kunnen voldoen de vergunninghouder door middel van een akoestisch onderzoek na te gaan op welke manier en op welke termijn(en) (vóór 1 januari 2004) de noodzakelijke geluidreductie zal worden bewerkstelligd. Tevens dient de rapportage inzicht te verschaffen in de eventuele mogelijkheid de geluidwaarden van voorschrift 10.4 en 10.5 terug te brengen tot de voorkeurswaarden.

Ingevolge voorschrift 10.9 dienen onverwijld na afronding van het onderzoek en uiterlijk 1 juli 2003 de resultaten van het onderzoek in de vorm van een akoestisch rapport ter schriftelijke goedkeuring aan het bevoegd gezag te zijn overgelegd. Het akoestisch onderzoek moet ten minste bevatten:

- een opgave van de onderzochte maatregelen en de per maatregel te bereiken geluidreducties;

- een analyse van de praktische uitvoerbaarheid en van de fasering van de maatregelen;

-een opgave van de totale kosten van de maatregelen en de kosten per maatregel afzonderlijk;

- de geluidniveaus op de beoordelingspunten, na realisering van de onderzochte maatregelen.

Ingevolge voorschrift 10.10 dient de vergunninghouder uiterlijk

1 september 2003 een rapport over de stand van zaken met betrekking tot de voortgang van het akoestisch onderzoek zoals bedoeld in voorschriften 10.6 en 10.7 aan het bevoegd gezag voor te leggen. Het rapport moet ten minste bevatten:

- een overzicht van de tot dan toe onderzochte geluidreducerende maatregelen;

- een akoestische prognose van de door middel van de onderzochte maatregelen te bereiken geluidreductie op de relevante beoordelingspunten.

2.6.2. Verweerder heeft de in de voorschriften 10.6, 10.9 en 10.10 opgenomen termijnen na afloop waarvan onderscheidenlijk aan de in de voorschriften 10.4 en 10.5 gestelde geluidgrenswaarden moet worden voldaan, en een akoestisch rapport en een voortgangsrapport moeten zijn overgelegd, ambtshalve gewijzigd in verband met de door hem gewijzigde geluidvoorschriften 10.4 en 10.5, waarin is bepaald dat de strengere geluidgrenswaarden gelden met ingang van 1 januari 2004 in plaats van, zoals in de vernietigde voorschriften nog was bepaald, met ingang van

1 januari 2003. De Afdeling overweegt dat de wijziging van de termijnen in de voorschriften 10.6, 10.9 en 10.10 rechtstreeks verband houdt met de naar aanleiding van de vernietiging gewijzigde termijn voor het voldoen aan de strengere geluidgrenswaarden, zodat in dit geval sprake is van wijzigingen die voortvloeien uit de door de Afdeling uitgesproken vernietiging. Het beroep van appellanten sub 1 treft in zoverre geen doel.

2.6.3. Met betrekking tot voorschrift 7.11 overweegt de Afdeling het volgende. In het vernietigde voorschrift 7.10 had verweerder aan vergunninghoudster opgelegd de afvalstromen van de inrichting, niet zijnde het afval uit openbare vuilnisbakken op het station en de perrons, gescheiden in te zamelen en op te slaan. Voorschrift 7.11 omschrijft evenwel de registratieplicht van verweerders met betrekking tot de gevaarlijke afvalstoffen die uit de inrichting worden verwijderd.

In voorschrift 10.12 is bepaald dat vanaf 1 januari 2000 respectievelijk 1 januari 2003 het rangeren, in- en uitwendig reinigen en overstand van ICM-materieel respectievelijk MAT '64-materieel binnen de inrichting slechts is toegestaan indien aan bedoeld materieel de in het kader van PRIL geplande geluidreducerende maatregelen (onder meer omkasting ten behoeve van de maatgevende geluidbronnen, compressoren, motorgeneratoren en motoren) zijn uitgevoerd. De Afdeling overweegt dat vergunninghoudster tegen dit voorschrift van de revisievergunning beroep heeft ingesteld, doch dat de Afdeling het beroep bij uitspraak van

5 september 2001 in zoverre ongegrond heeft verklaard. Hiermee is dit voorschrift onherroepelijk geworden.

Gelet op het vorenstaande is in beide gevallen geen sprake van een intrekking die voortvloeit uit de door de Afdeling uitgesproken vernietiging. In het onderhavige geval had verweerder de ambtshalve intrekking van de voorschriften 7.11 en 10.12 dienen te bewerkstelligen door toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8.23 van de Wet milieubeheer, dat voorziet in een met waarborgen omgeven procedure ten aanzien van het ambtshalve wijzigen van vergunning(voorschrift)en. Nu verweerder deze procedure niet heeft gevolgd, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met artikel 8.23, vierde lid, van de Wet milieubeheer.

2.7. Appellanten sub 1 stellen dat de termijn die in voorschrift 10.10 is gesteld met betrekking tot de voortgang van het akoestisch rapport, niet logisch is, gelet op de in voorschrift 10.9 gestelde termijn voor het akoestisch rapport zelf. Appellante sub 2 stelt dat voorschrift 10.10 strijdig is met voorschrift 10.9, omdat voorschrift 10.10 een andere datum noemt voor het indienen van een akoestische voortgangsrapportage dan voorschrift 10.9.

2.7.1. Verweerder stelt dat voorschrift 10.9 betrekking heeft op een rapportage over mogelijke maatregelen en voorschrift 10.10 op een rapportage over de voortgang van de uitvoering van die maatregelen.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat in voorschrift 10.10 wordt gesproken over "een rapport over de stand van zaken met betrekking tot de voortgang van het akoestisch onderzoek". Deze bewoordingen duiden niet, zoals verweerder blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting beoogd hebben, op een rapportage over de voortgang van de uitvoering van maatregelen die in het akoestisch rapport zijn voorgesteld, maar op een rapportage over de voortgang van het akoestisch onderzoek zelf. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat verweerder het bestreden besluit in zoverre heeft genomen in strijd met het zorgzuldigheidsbeginsel. Het beroep van appellanten sub 1 en appellante sub 2 treft op dit punt doel.

2.8. Appellanten sub 1 stellen dat verweerder ten onrechte voorschrift 7.10 met betrekking tot het inzamelen van afval binnen de inrichting heeft ingetrokken. Daarnaast achten zij het onjuist dat aan de vergunning niet alsnog een voorschrift is verbonden dat het gescheiden afgeven regelt van gescheiden ingezamelde afvalstromen aan een daartoe bevoegde verwerker als bedoeld bij of krachtens de Wet milieubeheer.

2.8.1. Verweerder heeft overwogen dat de noodzaak om dit voorschrift in de vergunning op te nemen is komen te vervallen, aangezien opslag en afvoer van bedrijfsafval in de Provinciale milieuverordening Gelderland zijn geregeld.

2.8.2. Ingevolge het wegens een motiveringsgebrek vernietigde voorschrift 7.10, voorzover hier van belang, dienen de afvalstromen in de inrichting, niet zijnde het afval uit de openbare vuilnisbakken op het station en de perrons, in een aantal nader omschreven componenten te worden gescheiden en gescheiden te worden opgeslagen.

In voorschrift 7.10, zoals dat luidde in het ontwerp van het besluit, was daaraan nog de verplichting toegevoegd om de gescheiden ingezamelde afvalstromen gescheiden af te geven aan een daartoe bevoegde verwerker als bedoeld bij of krachtens de Wet milieubeheer.

2.8.3. De Afdeling overweegt dat, gelet op het bepaalde in artikel 1.2, zesde lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, een provinciale verordening regels met betrekking tot afvalstoffen kan bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op bij die regels aangewezen categorieën van inrichtingen.

In de artikelen 4.3.2.4 en 4.3.2.5 van de Provinciale milieuverordening Gelderland is – kort weergegeven – bepaald dat degene die een inrichting drijft bepaalde afvalstoffen dient te scheiden en deze gescheiden dient te houden als hij zich daarvan ontdoet. Deze artikelen zijn rechtstreeks van toepassing op de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in de bijlagen I, II en III van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

De Afdeling stelt vast dat spoorwegemplacementen behoren tot categorie 14 van bijlage I van genoemd besluit. Dat betekent dat de genoemde artikelen van de Provinciale milieuverordening Gelderland ten tijde van het bestreden besluit rechtstreeks van toepassing waren op de inrichting. Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat het verbinden van de door appellanten sub 1 beoogde voorschriften aan de vergunning niet in het belang van de bescherming van het milieu was aangewezen. Het beroep van appellanten sub 1 treft in zoverre geen doel.

2.9. Appellanten sub 1 stellen dat verweerder ten onrechte de voorschriften 12.1 met betrekking tot het één keer per jaar aan het bevoegd gezag opgave doen van het aantal wagens beladen met gevaarlijke stoffen, en 12.4 tot en met 12.6 met betrekking tot een bedrijfsnoodplan, verbonden aan het ontwerp van het besluit tot verlening van de revisievergunning, niet aan de vergunning heeft verbonden.

2.9.1. Verweerder heeft overwogen dat in de circulaire 'Risicobenadering voor NS-Goederenemplacementen' van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt aangeven dat jaarlijks een rapportage van het aantal wagens beladen met gevaarlijke stoffen dat het voorgaande jaar in de inrichting is geweest, moet worden overhandigd aan het bevoegd gezag. Voorts is volgens hem in die circulaire vermeld binnen welke termijn een bedrijfsnoodplan moet worden ingediend alsmede aan welke eisen de inhoud van het bedrijfsnoodplan moet voldoen. Gelet op het vorenstaande is verweerder van oordeel dat het aan de vergunning verbinden van dergelijke voorschriften niet meer noodzakelijk is. Eerst in het verweerschrift stelt verweerder dat het aan de vergunning verbinden van de genoemde voorschriften voorts achterwege kan worden gelaten, nu het rangeren of opstellen van wagons met gevaarlijke stoffen niet is aangevraagd door vergunninghoudster.

2.9.2. Met betrekking tot het in het verweerschrift genoemde argument dat het rangeren of opstellen van wagons met gevaarlijke stoffen niet is aangevraagd door vergunninghoudster, overweegt de Afdeling het volgende. In de aanvraag is vermeld dat voor het emplacement Nijmegen met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen uitsluitend sprake is van "doorvoer". Doorvoer betekent volgens de aanvraag "dat er met wagons beladen met gevaarlijke stoffen niet planmatig wordt gerangeerd of voor langere tijd opgesteld." Naar het oordeel van de Afdeling sluit deze omschrijving evenwel niet geheel uit dat op het emplacement wagons met gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn. Voorts blijkt uit de aanvraag dat op het emplacement ketelwagens met dieselolie worden gelost ten behoeve van de tankplaats voor dieseltreinen. Dat, zoals vergunninghoudster ter zitting heeft gesteld, de dieselolie inmiddels met tankauto's wordt aangevoerd, doet niet af aan de omstandigheid dat de aangevraagde en vergunde situatie de aanvoer van dieselolie met ketelwagens betreft. Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting is gebleken dat de aanvoer van dieselolie met tankauto's ten tijde van het bestreden besluit gelegaliseerd was.

In de circulaire 'Risicobenadering voor NS-goederenemplacementen' is bepaald dat de circulaire alleen van toepassing is op de bij NS Railinfrabeheer B.V. in beheer zijnde spoorwegemplacementen waarop rangeerhandelingen met wagons beladen met gevaarlijke stoffen plaatsvinden of kunnen plaatsvinden.

In de circulaire zijn voorschriften opgenomen die aan milieuvergunningen kunnen worden verbonden teneinde de risico’s voor de mens ten gevolge van handelingen met wagons beladen met gevaarlijke stoffen binnen de inrichting, zoveel mogelijk te beperken.

In de tekst van de circulaire noch anderszins ziet de Afdeling aanknopingspunten voor het standpunt van verweerder dat nu de circulaire regels bevat ten aanzien van de jaarlijkse rapportage en de bedrijfsnoodplannen, ter zake in een milieuvergunning niets meer behoeft te worden geregeld. De circulaire bevat geen voor vergunninghoudster bindende bepalingen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in het onderhavige geval de door appellanten sub 1 gewenste voorschriften niet aan de vergunning behoeven te worden verbonden. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een draagkrachtige motivering. Het beroep van appellanten sub 1 treft op dit punt doel.

2.10. Het beroep van appellanten sub 1 is, voorzover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het beroep van appellante sub 2 is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover het de voorschriften 10.2, 10.5 en 10.10 betreft en voorzover het de beslissingen betreft om de voorschriften 7.11 en 10.12 in te trekken en de voorschriften 12.1 en 12.4 tot en met 12.6 van het ontwerp van het besluit niet aan de vergunning te verbinden.

2.11. Ten aanzien van het door appellanten sub 1 gedane verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, overweegt de Afdeling het volgende.

Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Niet zeker is hoe dit besluit zal luiden. Eerst aan de hand van het nieuwe besluit kan uitsluitsel worden verkregen of en, zo ja, in welke omvang schade is geleden ten gevolge van het bestreden besluit, voorzover dat bij deze uitspraak is vernietigd. De Afdeling ziet derhalve aanleiding het verzoek om schadevergoeding thans af te wijzen.

2.12. Verweerder dient op na te melden wijze in de door appellanten

sub 1 en appellante sub 2 gemaakte proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 1, voorzover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

II. verklaart het beroep van appellante sub 2 gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 5 februari 2002, 365/96, voorzover het de voorschriften 10.2, 10.5 en 10.10 betreft en voorzover het de beslissingen betreft om de voorschriften 7.11 en 10.12 in te trekken en de voorschriften 12.1 en 12.4 tot en met 12.6 van het ontwerp van het besluit niet aan de vergunning te verbinden;

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen op om binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

V. verklaart het beroep van appellanten sub 1 voor het overige ongegrond;

VI. wijst het verzoek van appellanten sub 1 om schadevergoeding af;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen in de door appellanten sub 1 en appellante sub 2 in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte proceskosten tot onderscheidenlijk een bedrag van € 450,59, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en een bedrag van € 644,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand; deze bedragen dienen door de gemeente Nijmegen te worden betaald aan appellanten;

VIII. gelast dat de gemeente Nijmegen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor appellanten sub 1 en € 218,00 voor appellante sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Lap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

288.