Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4408

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200202730/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202730/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 12 april 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de dijkgraaf en de hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2000 hebben de dijkgraaf en de hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (hierna: het hoogheemraadschap) aan appellante onder voorschriften een ontheffing verleend van het verbod, vervat in artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, voor wat betreft bord C21 van bijlage I van dat reglement, voor het met 2-, 3- en 4-assige vrachtwagens/mixers berijden van wegen die gesloten zijn verklaard voor voertuigen en samenstellen van voertuigen waarvan de totaalmassa hoger is dan 15 ton, een en ander tot en met 31 december 2002.

Bij besluit van 5 september 2000 heeft het hoogheemraadschap het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit, de verzendbrief daarbij en het advies van de Awb hoor- en adviescommissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 12 april 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 16 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 juli 2002 heeft het hoogheemraadschap een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], directeur, en het hoogheemraadschap, vertegenwoordigd door mr. A.R. Krijgsman, medewerker van het Hoogheemraadschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend is gemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. Vast staat dat het besluit van 5 september 2000 op 19 september 2000 als aangetekend stuk ter post is bezorgd op het postkantoor te Gorinchem. Daarna is dit stuk op 20 oktober 2000 zonder vermelding van de reden van onbestelbaarheid door PTT Post aan het hoogheemraadschap geretourneerd en vervolgens op diezelfde dag door het hoogheemraadschap opnieuw aangetekend aan appellante verzonden, waarna dit stuk op 27 oktober 2000 aan haar is uitgereikt.

De rechtbank heeft 19 september 2000 als bekendmakingsdatum aangehouden en in verband hiermee het door appellante op 30 november 2000 verzonden beroepschrift niet-ontvankelijk geacht.

2.3. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank de bewijslast omdraait en dat zij ten onrechte verantwoordelijk worden gehouden voor het blijkbaar niet goed functioneren van PTT Post. Naar haar stellen heeft zij nooit kennis kunnen nemen van de eerste verzending nu het stuk nimmer aan haar is aangeboden. Ook bij de tweede verzending is een aanzienlijke vertraging opgetreden waar het stuk eerst op 27 oktober 2000 aan haar is aangeboden.

2.4. De Afdeling stelt voorop dat, nu vaststaat dat het besluit van 5 september 2000 op 19 september van dat jaar op geldige wijze is verzonden, de beroepstermijn op laatstgenoemde datum is gaan lopen. Gelet hierop heeft appellante deze termijn overschreden. Gronden om de termijnoverschrijding niettemin verschoonbaar te achten heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht en op goede gronden niet aanwezig geacht nu uit de aanhef van de verzendbrief bij de tweede toezending kon worden opgemaakt dat evenbedoelde brief ook al eerder was verzonden en appellante ook na daadwerkelijke kennisneming van het besluit meer dan twee weken heeft gewacht met het instellen van beroep.

2.5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

45.