Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200203921/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203921/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant], wonend te [woonplaats],

2. de Stichting Bewonersorganisatie Stationsbuurt, gevestigd te Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 12 juni 2002 in het geding tussen:

appellant sub 1

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) de aanvraag van appellant sub 1 om op de voet van artikel 9 van de Leefmilieuverordening Oude Centrum en Stationsbuurt (hierna: LMV) ten behoeve van zijn pizza- en broodjeszaak annex bakkerij, [….], aan de [locatie], ontheffing te verlenen van het in artikel 3 van de LMV neergelegde verbod om opstallen te gebruiken als recreatieinrichting, buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 6 maart 2001 heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar van appellant sub 1 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2002, verzonden op 17 juni 2002, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant sub 1 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten sub 1 en sub 2, bij gezamenlijke brief, ingekomen bij de Raad van State op 16 juli 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 juli 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 oktober 2002 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere, op 30 oktober 2002 en 18 november 2002 gedateerde stukken ontvangen van beide appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2002, waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], appellante sub 2, vertegenwoordigd door genoemde [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij de gemeente Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het hoger beroep van appellante sub 2.

2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit.

Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is artikel 6:13 van toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.

2.2. Appellante sub 2 heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 juni 2000 noch beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 6 maart 2001. Gesteld noch gebleken is dat appellante sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt en geen beroep te hebben ingesteld. Hieruit volgt dat artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:13 van de Awb aan ontvankelijkheid van het hoger beroep in de weg staan.

Het hoger beroep van appellante sub 2 is mitsdien niet-ontvankelijk.

Het hoger beroep van appellant sub 1.

2.3. De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van het college moet worden verstaan als een weigering de gevraagde ontheffing te verlenen. Voorts stelt de Afdeling vast dat in het thans te beoordelen geschil alleen aan de orde is het niet verlenen van de gevraagde ontheffing op de voet van de LMV. Het al dan niet verlenen van een exploitatievergunning op de voet van de Algemene Politie Verordening staat buiten deze procedure.

2.4. Appellant sub 1 heeft bij de op 14 juni 1999 gedateerde aanvraag die aan dit geschil ten grondslag ligt, aangegeven dat in zijn bedrijf […], een pizza- en broodjeszaak annex bakkerij, geen verandering was opgetreden ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van de exploitatie door zijn voorgangster, […].

Dienaangaande overweegt de Afdeling dat vast staat dat het college ten aanzien van die exploitatie, op grond van een in november 1998 gehouden onderzoek van medewerkers van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling, heeft geoordeeld dat deze niet meer viel aan te merken als de exploitatie van een recreatieinrichting als bedoeld in artikel 2 van de LMV. Het besluit van het college waarin dit oordeel is neergelegd, is onherroepelijk geworden.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het college bij de beoordeling van de aanvraag van appellant sub 1 kon uitgaan van een gelijke situatie aan die in november 1998.

2.4.1. Het beroep dat appellant sub 1 doet op artikel 14 van de LMV, op grond waarvan, voor zover van belang, recreatieinrichtingen die in een aldaar genoemde Bijlage zijn opgenomen en als zodanig in gebruik waren ten tijde van de inwerkingtreding van de LMV, mogen worden voortgezet, slaagt niet. Het college heeft nà het genoemde onderzoek geconstateerd dat […] de exploitatie van de recreatieinrichting op het adres [locatie] had beëindigd. Dit betekent dat, nu geen sprake meer was van een recreatieinrichting, het voor die inrichting geldende overgangsrecht, neergelegd in artikel 14 van de LMV, is uitgewerkt. Appellant kon ten tijde van de aanvraag aan de vermelding van de inrichting in de Bijlage dan ook geen rechten ontlenen. De rechtbank heeft terecht het college gevolgd in het standpunt dat sprake was van een aanvraag voor een nieuwe vestiging. Het college had dan ook geen grond over de door appellant gevraagde ontheffing anders te beslissen dan het heeft gedaan.

2.5. Het door de rechtbank aanvaarde standpunt van het college dat de broodjeszaak van appellant geen recreatieinrichting is in de zin van artikel 2, eerste lid, van de LMV, doch detailhandel, is niet onjuist gebleken. De rechtbank heeft voor de bevestiging van dit standpunt terecht mede gewicht toegekend aan de bevindingen van haar fungerend president bij een onderzoek ter plaatse verricht op 9 augustus 2000, ter gelegenheid van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening en de door deze daaruit getrokken conclusie.

2.6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant sub 1 ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van appellante sub 2 niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. De Koning

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

221.