Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200204460/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/3056

Uitspraak

200204460/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2002, kenmerk 100/01, heeft verweerder geweigerd aan appellant een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een koetserij op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Maasdriel. Dit besluit is op 4 juli 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 14 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2003, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.A.M. Coppens en mr. M. Groenenboom-Steffen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord [naam rechtspersoon] en [naam rechtspersoon], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. In het bestreden besluit wordt appellant vergunning geweigerd voor een koetserij waarin 9 paarden worden gehouden. Op een afstand van ongeveer 25 meter van de paardenstal staat een woning van derden.

2.2. Volgens appellant heeft verweerder de gevraagde vergunning ten onrechte geweigerd. In dit verband voert hij aan dat de koetserij waarvoor vergunning wordt gevraagd reeds 40 jaar ter plaatse aanwezig is en al meer dan 20 jaar hierin ook paarden worden gehouden. Appellant is van mening dat onaanvaardbare stankhinder noch onaanvaardbare geluidhinder optreden.

2.3. Verweerder heeft de gevraagde vergunning geweigerd omdat niet aan de volgens hem minimaal aan te houden afstand ter voorkoming van stankhinder wordt voldaan, zodat volgens hem onaanvaardbare stankhinder optreedt. Voorts is verweerder van mening dat tengevolge van piekgeluiden veroorzaakt door vrachtwagens in de avonduren onaanvaardbare geluidhinder zal ontstaan.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling een afstand van 50 meter tussen een paardenstal en de dichtstbijgelegen woning van derden noodzakelijk is ter voorkoming van stankhinder. Nu deze afstand in de onderhavige situatie ongeveer 25 meter bedraagt moet de vergunning volgens verweerder worden geweigerd.

De Afdeling overweegt dat bestuursorganen in het algemeen weliswaar een vaste bestuurspraktijk mogen hanteren die er op neerkomt dat ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder tussen een paardenstal en woningen van derden een afstand van minimaal 50 meter dient te zijn gelegen, maar dat dit niet betekent dat het verlenen van een gevraagde vergunning voor een inrichting waarin aan een afstand van 50 meter niet wordt voldaan nooit mogelijk is. Bepalend is de vraag of een bestuursorgaan zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat vergunningverlening zal leiden tot onaanvaardbare stankhinder. Voorts dienen bestuursorganen bij het ontbreken van een vaste bestuurspraktijk hun beslissing dienaangaande te voorzien van een deugdelijke motivering.

Ter zitting heeft verweerder erkend dat hij voor de invulling van zijn beoordelingsvrijheid, voorzover het betreft de aan te houden afstand ten opzichte van de dichtstbijgelegen woning van derden die noodzakelijk is ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder, geen vaste bestuurspraktijk hanteert. Verweerder heeft verder niet gemotiveerd waarom in het onderhavige geval een afstand van 50 meter tussen de paardenstal en de dichtstbijgelegen woning van derden noodzakelijk is om onaanvaardbare stankhinder te voorkomen. Voorts heeft verweerder nagelaten te onderzoeken of aan de gevraagde vergunning voorschriften kunnen worden verbonden met daarin maatregelen om onaanvaardbare stankhinder ten gevolge van het houden van paarden in de aangevraagde situatie te voorkomen. Het bestreden besluit is daarom in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat bepaalt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, en is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

2.6. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde vergunning voorts geweigerd omdat uit akoestisch onderzoek is gebleken dat het piekgeluidniveau, veroorzaakt door de vrachtwagens waarin de paarden worden vervoerd, ter hoogte van de woning op het perceel [locatie 3], 70 dB(A) bedraagt. Volgens verweerder is een dergelijk piekgeluidniveau in de avond- en nachtperiode onaanvaardbaar.

De Afdeling stelt vast dat blijkens de aanvraag, onderdeel 4.1, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, alleen in de dagperiode vervoerbewegingen met de vrachtwagens plaatsvinden. Gelet hierop kon verweerder de gevraagde vergunning niet weigeren in verband met het piekgeluidniveau veroorzaakt door de vervoerbewegingen in de avond- en nachtperiode. Ter zitting heeft appellant desgevraagd erkend dat incidenteel in de avond- en nachtperiode vervoerbewegingen met de vrachtwagens plaatsvinden, met name indien koetsen en paarden op verder weg gelegen locaties moeten worden ingezet en dat bedoeld is hiervoor vergunning te vragen. Het betreft volgens appellant slechts een beperkt aantal keren per jaar en voorzover het vervoerbewegingen in de nachtperiode betreft vinden deze kort voor het begin van de dagperiode plaats.

De Afdeling stelt vast dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar deze vervoerbewegingen en evenmin of, voorzover deze vervoerbewegingen plaatsvinden, onaanvaardbare geluidhinder door het treffen van maatregelen kan worden voorkomen. Het bestreden besluit is ook in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 7 mei 2002, kenmerk WM 100/01;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Maasdriel te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Maasdriel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Taal

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

325.