Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200204681/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204681/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Autosport Zuid-West Brabant, gevestigd te Zundert,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 4 juli 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Rucphen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rucphen (hierna: het college) het verzoek van appellante om ontheffing als bedoeld in artikel 148, eerste lid, van de

Wegenverkeerswet 1994, afgewezen.

Bij besluit van 21 mei 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2002, verzonden op 15 juli 2002, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 oktober 2002 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bestuurslid, en

mr. A. Groenewoud, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door J.J.G.R. de Rooij, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling ziet aanleiding eerst te beoordelen of thans nog sprake is van processueel belang. Appellante heeft een verzoek ingediend om ontheffing als bedoeld in artikel 148, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 voor een wedstrijd op 16 of 17 augustus 2002 in het buitengebied van Sprundel. Hangende het hoger beroep is deze datum verstreken. Appellante kan derhalve niet meer bewerkstelligen wat zij met haar hoger beroep heeft beoogd, namelijk een ontheffing voor een wedstrijd op de betreffende datum. Gesteld noch gebleken is dat schade is geleden of zal worden geleden doordat het evenement niet op die datum heeft kunnen plaats vinden. Voorts blijkt uit de stukken, en is ter zitting door appellante bevestigd, dat geen nieuw verzoek om ontheffing is ingediend voor een nog te houden vergelijkbare wedstrijd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is de bestuursrechter alleen in het kader van een geschil met betrekking tot een besluit tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen. Waar een dergelijk geschil niet (langer) bestaat, kan van de rechter geen uitspraak worden gevraagd, ook niet als het gaat om de beantwoording van een rechtsvraag van principiƫle betekenis. Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat appellante thans nog enig rechtens te beschermen belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.

2.2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Tielraden

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

156-421.