Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4394

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200201370/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201370/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2001 heeft de gemeenteraad van Groningen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 juni 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "CiGa".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 januari 2002, nr. 2001-11.547/4/B.18, RRB, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 6 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 juli 2002 (hierna te noemen: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.W. Breuker, advocaat te Groningen, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door A.H. Wiechertjes, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn namens de gemeenteraad drs. H.M.M. Meinderts, R.G. van Well en J.A. Jonker, ambtenaren van de gemeente, aldaar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan wordt beoogd de invulling van het voormalige Circus- en Gasfabriekterrein met een autovrije binnenstedelijke woonwijk mogelijk te maken. Het plangebied bevindt zich aan de noordoostrand van de historische binnenstad van Groningen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellante die eigenares is van de panden [locaties] alsmede enkele aanliggende percelen, voert in beroep aan dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Hiertoe stelt zij allereerst dat het gemeentebestuur de inspraakmogelijkheden te zeer heeft beperkt. Voorts kon het plan niet op de inspraak worden gebaseerd, aangezien deze mede heeft plaatsgevonden over het buiten het plangebied gelaten Bodenterrein en ook heeft het gemeentebestuur ten onrechte geen rekening gehouden met een eerder ingediende zienswijze, aldus appellante.

2.3.1. Ingevolge artikel 6a van de WRO worden de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan betrokken op de wijze zoals voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.

De gemeenteraad van Groningen heeft een dergelijke verordening vastgesteld waarin een regeling is getroffen voor het doen van beklag over de uitvoering van de verordening. Niet gebleken is dat appellante van deze regeling ten aanzien van de inspraak over het voorliggende plan gebruik heeft gemaakt. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding op de bezwaren van appellante ter zake van de inspraak verder in te gaan.

2.3.2. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de afwijking van het voorontwerp van het bestemmingsplan ten opzichte van het beleidsvoornemen dat in de inspraak is gebracht, zodanig is dat gesteld moet worden dat de inspraak betrekking heeft gehad op een geheel ander beleidsvoornemen dan het beleidsvoornemen dat ten grondslag ligt aan het (ontwerp)plan. Er bestaat op grond hiervan derhalve geen aanleiding de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw een aanvang te laten nemen.

Verder is niet gebleken dat wat betreft de mogelijkheden ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze in te dienen en een nadere mondelinge toelichting te geven, is gehandeld in strijd met hetgeen in de WRO of afdeling 3.4 van de Awb is bepaald dan wel dat een door appellante ingediende zienswijze niet bij de vaststelling van het bestemmingsplan is betrokken.

2.4. Appellante voert voorts aan dat verweerder de plangrens van het bestemmingsplan ten onrechte heeft goedgekeurd. Gelet op de onderlinge samenhang tussen het Circus- en Gasfabriekterrein en het aangrenzende Bodenterrein had volgens haar ook dat terrein in het plangebied moeten worden opgenomen.

2.4.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de planbegrenzing in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft de plangrens goedgekeurd. Hij is met de gemeenteraad van mening dat het plangebied ook zonder het Bodenterrein een afgerond stedenbouwkundig geheel vormt en dat hieraan een voldoende samenhangende visie ten grondslag ligt.

2.4.2. Gelet op de systematiek van de WRO komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling is, gelet op de stukken, van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

2.5. Appellante voert verder aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen “Stadscentrum” en “Stadswoonwijk”, voor zover gelegen ter hoogte van het zogenoemde bronpunt Boterdiep, aangezien het toegestane aantal bouwlagen en het hoogteaccent hier niet passend zijn gelet op de aansluiting met de binnenstad. Een gedeelte van het plangebied valt binnen het beschermd stadsgezicht. Voorts wordt ten onrechte de sloop van de, aldus appellante, cultuurhistorisch waardevolle panden [locaties] mogelijk gemaakt.

2.5.1. De gemeenteraad is van mening dat het bestemmingsplan als voldoende beschermend ten opzichte van het beschermd stadsgezicht kan worden aangemerkt. Hiertoe wijst hij er onder meer op dat onder het vorige bestemmingsplan ook de bouw tot vijf bouwlagen mogelijk was en dat bestemmingsplan door de Minister bij de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht als voldoende beschermend is aangemerkt. Verder heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg met het onderhavige plan ingestemd, aldus de gemeenteraad.

2.5.2. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij acht het aanvaardbaar om ter plaatse van het bronpunt Boterdiep, mede gelet op het relatief brede profiel van het Boterdiep en de aansluiting op de binnenstad, vijf bouwlagen toe te staan alsmede een hoogteaccent. Het karakter van het Boterdiep wordt in het bestemmingsplan voldoende beschermd. Sloop van de panden [locaties], die niet zijn aangewezen als monument of beeldbepalend, stuit volgens hem niet op overwegende bezwaren.

2.5.3. Voor zover de gronden van het plangebied zijn gelegen in het als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied, is hieraan, voor zover hier van belang, de bestemming “Stadscentrum” toegekend. Ingevolge artikel 8, lid 8.4, onder c, van de planvoorschriften en de aanduiding op de plankaart mogen ter plaatse bij recht drie tot vijf en met vrijstelling zes bouwlagen worden gebouwd. Gelet op de maximale hoogte van een bouwlaag van 3,75 meter is bij recht een bouwhoogte van 18,75 meter en met vrijstelling van 22,50 meter mogelijk, afgezien van eventuele onderbouwen en kapverdiepingen.

Ingevolge artikel 7, lid 7.4, onder g, van de planvoorschriften en de desbetreffende aanduiding op de plankaart is op de aan de bestemming “Stadscentrum” grenzende en buiten het beschermd stadsgezicht gelegen gronden met de bestemming “Stadswoonwijk” een hoogteaccent toegestaan met een maximale hoogte van 30 meter.

Volgens het deskundigenbericht maken de bebouwingsvoorschriften enerzijds ter plaatse een bebouwing mogelijk die, gelet op de huidige bebouwingsschaal, de waarden van het beschermd stadsgezicht ernstig aantast. Anderzijds wordt handhaving van de waarden door de voorschriften niet onmogelijk gemaakt. Wat betreft het hoogteaccent zal vanwege het visuele effect op het stadsgezicht volgens het deskundigenbericht in nog sterkere mate een conflict met de omgeving ontstaan.

De Afdeling acht niet onaannemelijk dat de hoogte van de bebouwing het stadsbeeld zal beïnvloeden. Zij ziet hierin echter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voldoende beschermend is ten opzichte van het beschermd stadsgezicht.

Hierbij is van belang dat bebouwing dient plaats te vinden met inachtneming van artikel 6 van de planvoorschriften. Dit artikel betreft de beschrijving in hoofdlijnen, waarbij in lid 6.4 nader wordt ingegaan op de historisch-archeologische waarden, zoals deze zijn vastgelegd in de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht. Hieruit volgt dat bij de bebouwing de kaart met de historisch-ruimtelijke waarde van het gebied in acht dient te worden genomen, waarbij van belang zijn de rooilijn en de bebouwingsschaal.

Ook neemt de Afdeling bij haar oordeel in aanmerking dat het desbetreffende plangedeelte de rand van het beschermd stadsgezicht betreft. Er bevinden zich geen beschermingswaardige monumenten. Verder blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de afstemming op het beschermd stadsgezicht uitdrukkelijk is meegenomen bij de beoordeling van het plan en is niet zonder betekenis dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, die belast is met de zorg voor de belangen van beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten, geen bezwaar heeft tegen het plan. Bij de aanwijzing van het beschermd stadsgezicht is bovendien geoordeeld dat het toen vigerende bestemmingsplan, waarvan niet in geding is dat dit althans deels vergelijkbare bouwmogelijkheden als het onderhavige bestemmingsplan bood, voldoende beschermend is.

Wat betreft het buiten het beschermd stadsgezicht gesitueerde hoogteaccent overweegt de Afdeling nog dat ook hiervoor voldaan zal moeten worden aan artikel 6 van de planvoorschriften. Voorts acht zij de toegelaten hoogte, mede gelet op de verder toegestane bouwhoogten, niet dusdanig groot dat verweerder om die reden niet in redelijkheid met de aanduiding “hoogteaccent max. 30M” heeft kunnen instemmen.

2.6. Voorts voert appellante aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Stadswoonwijk“, waarmee woningbouw achter haar percelen [locaties] mogelijk wordt gemaakt, en het plandeel met de bestemming “Openbare Ruimte”, gelegen naast deze percelen. Appellante verwacht hierdoor niet meer in staat te zijn een toegang te maken tot de door haarzelf op deze percelen te realiseren woningen.

2.6.1. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij wijst er op dat het bestemmingsplan zich niet verzet tegen het maken van een toegang op de achter de percelen [locaties] gelegen gronden. Verder is uit functioneel en stedenbouwkundig oogpunt de volle breedte van de naast deze percelen gelegen [locatie] nodig, zodat oprichting van bebouwing hier is uitgesloten, aldus verweerder.

2.6.2. De percelen [locaties] en de achter deze percelen gelegen gronden zijn bestemd als respectievelijk “Stadscentrum” en “Stadswoonwijk”. Op deze gronden is ingevolge de artikelen 7 en 8 van de planvoorschriften woningbouw toegelaten, waarbij het maken van een toegang tot de op de percelen [locaties] te realiseren woningen niet onmogelijk is gemaakt. De aan de percelen [locaties] grenzende Haverkampsdrift is bestemd als “Openbare ruimte”. Ingevolge artikel 10 van de planvoorschriften is op deze gronden geen bebouwing ten behoeve van woondoeleinden toegestaan.

Mede gelet op het feit dat het bestemmingsplan het maken van een toegang tot op de percelen [locaties] te realiseren woningen niet illusoir maakt, kon verweerder zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de volle breedte van de Haverkampsdrift wordt aangewend voor het voorzien in een toegang van het Boterdiep tot de achterliggende woonwijk en een doorgaande oost-west lopende hoofdfietsroute. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder, gelet op het algemeen belang inzake de ontwikkeling van de stadswijk, niet in redelijkheid met de mogelijkheid van woningbouw achter de percelen [locaties] kon instemmen.

2.7. Appellante komt verder op tegen de verlening van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming “Stadscentrum” ter zake van het gebruik van de panden aan het bronpunt Boterdiep en [locaties]. Zij stelt hiertoe dat de bestaande functies wonen en bedrijven niet dienovereenkomstig zijn bestemd. Ook acht zij grootschalige detailhandel ter plaatse van het bronpunt ongewenst.

2.7.1. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij stemt in met de keuze in het bestemmingsplan om in beginsel commerciële functies op de eerste bouwlaag (begane grond) toe te staan en de functie wonen bij recht op de tweede bouwlaag en hoger. Hij acht de invulling van het bronpunt Boterdiep met grootschalige detailhandel in overeenstemming met het gemeentelijk detailhandelsbeleid.

Voorts wijst verweerder er op dat de functie wonen ter plaatse van het bronpunt Boterdiep op de begane grond en op de tweede bouwlaag voor zover grenzend aan de ruimte tussen de bouwblokken 8 en 9, bij recht toegelaten wordt.

2.7.2. Wat betreft de functie wonen ter plaatse van het bronpunt Boterdiep volgt uit artikel 8, lid 8.2, onder 2, van de planvoorschriften dat deze functie niet is toegestaan in de eerste en tweede bouwlaag, tenzij de woonfunctie direct grenst aan de ruimte tussen de bouwblokken 8 en 9 en voldoende ruimte voor grootschalige detailhandel beschikbaar blijft. Ingevolge artikel 8, lid 8.3, kan vrijstelling worden verleend voor de functie wonen op de tweede bouwlaag indien blijkt dat het bronpunt in de vorm van grootschalige detailhandel niet kan worden gerealiseerd.

Niet is gebleken dat de invulling met grootschalige detailhandel niet in overeenstemming is met het als zodanig niet onredelijke gemeentelijk detailhandelsbeleid. Verweerder heeft met de planregeling op dit punt in redelijkheid kunnen instemmen.

Wat betreft de bestaande woonfunctie ter plaatse van het bronpunt acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat hieraan binnen de planperiode een einde zal worden gemaakt, zodat een positieve bestemming van dit gebruik niet is aangewezen.

Wat betreft de bedrijfsfunctie op de percelen [locaties] overweegt de Afdeling dat bedrijven op gronden met de bestemming “Stadscentrum” ingevolge artikel 8, lid 8.2, van de planvoorschriften zijn toegestaan in de eerste bouwlaag (begane grond), alsmede in een hogere dan de eerste bouwlaag, indien het dezelfde functie betreft als in de eerste bouwlaag, alsmede daar waar de functie bedrijven reeds aanwezig is overeenkomstig de aanduiding in bijlage 1, die deel uitmaakt van de voorschriften van het bestemmingsplan. Nu de percelen [locaties] op deze bijlage staan vermeld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bestaande functies niet als zodanig in het plan zijn bestemd.

2.8. Voorts voert appellante aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen “Stadscentrum” en “Stadswoonwijk” alsmede de aanduiding “entree parkeergarage” aan het Boterdiep ter hoogte van bouwblok 8 voor zover hiermee de bouw van een parkeergarage mogelijk wordt gemaakt. De keuze voor de plaats van de garage is volgens haar ten onrechte ingegeven door de aanwezige bodemverontreiniging terwijl vanwege de ligging dichtbij het stadscentrum ongewenst autoverkeer zal ontstaan. Volgens haar heeft onvoldoende onderzoek naar de geluidssituatie en de luchtkwaliteit plaatsgevonden. Appellante vreest verder voor onvoldoende parkeergelegenheid voor de aan het Boterdiep gevestigde winkels, terwijl ook het Boterdiep door de voorziene entree niet meer kan worden ingericht met water.

2.8.1. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij stemt in met het uitgangspunt van het bestemmingsplan het parkeren ondergronds te doen plaatsvinden om zo te komen tot een autovrije stadswijk. Het gebied is voorts goed ontsloten met het openbaar vervoer. De plaats van de parkeergarage is ingegeven door de wens in de nabijheid van het centrum te beschikken over parkeergelegenheid en het gegeven dat een groot gedeelte van het terrein moet worden uitgegraven vanwege de bodemverontreiniging. Voorts acht verweerder het toenemen van de verkeersintensiteit mede gelet op het autovrij maken van de Bloemsingel, en het uitsluiten van de herintroductie van water op het Boterdiep aanvaardbaar. Akoestisch onderzoek met betrekking tot het wegverkeerslawaai op het Boterdiep heeft plaatsgevonden en ook het aspect luchtkwaliteit is onderzocht. Van een onaanvaardbare situatie is niet gebleken. Bij de herprofilering van het Boterdiep zal worden voorzien in mogelijkheden voor kort parkeren en laden en lossen, aldus verweerder.

2.8.2. Op gronden met de bestemmingen “Stadswoonwijk” en “Stadscentrum” is ingevolge de artikelen 7, lid 7.4, onder b, en 8, lid 8.4, onder b, van de planvoorschriften de bouw van een ondergrondse parkeergarage toegestaan binnen de begrenzing zoals aangegeven op kaartbijlage B (de Functiekaart) bij het bestemmingsplan. De entree dient blijkens de aanduiding op de plankaart te worden gerealiseerd ter hoogte van het perceel [locatie]. In de planvoorschriften worden verder bouwbeperkingen gesteld ten aanzien van parkeervoorzieningen buiten de ondergrondse parkeergarage.

Uit de stukken blijkt dat de gewenste autovrije stadswoonwijk vooral is ingegeven door de goede ontsluiting voor alle vervoerssoorten en de nabijheid van grote werklocaties. Een autovrije woonwijk levert, aldus de plantoelichting, een rustig, schoon en veilig leefklimaat op. De openbare ruimte, waaronder de groenstructuur, kan hiermee worden versterkt. Alleen aan de randen van de wijk wordt autoverkeer toegelaten. Daarbij is voorzien in ondergrondse parkeergarages, waarvan de plaats is ingegeven door de wens in de onmiddellijke nabijheid van het stadscentrum over parkeergelegenheid te beschikken en de noodzakelijke uitgraving van het terrein vanwege de bodemsanering. De in geding zijnde parkeergarage wordt ontsloten via het Boterdiep, dat deel uitmaakt van de noordelijke aanrijroute naar het centrum van de stad.

De Afdeling acht het uitgangspunt van het bestemmingsplan een autovrije woonwijk te realiseren, niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar. Evenmin ziet zij, gelet op het voorgaande, aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met de ligging van de parkeergarage kon instemmen. Gelet op het belang van de autovrije woonwijk en de ontsluiting van de parkeergarage die mede is gericht op het stadscentrum, heeft hij voorts met de ligging van de entree kunnen instemmen.

Wat betreft de bezwaren over de gevolgen van het plan voor de geluidssituatie, overweegt de Afdeling daarbij dat in 1999 door Ingenieurs- en adviesbureau Peutz onderzoek is gedaan naar de geluidssituatie ter plaatse van het Boterdiep. Wat betreft van auto’s ter plaatse van de entree van de parkeergarage afkomstige verbrandingsgassen is ook door dit bureau onderzoek gedaan. De Afdeling is niet gebleken dat deze onderzoeken zodanige gebreken vertonen dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren.

Vast staat verder dat het plan gevolgen zal hebben voor de geluidssituatie ter plaatse. Niet is gebleken dat deze gevolgen zodanig zijn dat verweerder hieraan overwegende betekenis had moeten toekennen. Wat betreft de luchtkwaliteit is niet gebleken dat deze niet kan worden gehandhaafd. Evenmin is gebleken dat zich op het Boterdiep en in de Bloemstraat, mede gelet op de te verwachten verkeersstromen in de stad, op termijn een dusdanig verkeersaanbod zal voordoen dat hierdoor voor een onaanvaardbare situatie moet worden gevreesd.

Wat betreft de herintroductie van water op het Boterdiep, wat daarvan ook zij, is niet gebleken dat dit door het plan onmogelijk wordt gemaakt.

Ter plaatse van het Boterdiep zelf geldt de bestemming “Wegverkeer”. Op gronden met deze bestemming wordt parkeren toegelaten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat ten behoeve van de aan het Boterdiep gevestigde winkels, mede gelet op de parkeerruimte in de ondergrondse parkeergarage, onvoldoende in parkeergelegenheid wordt voorzien.

2.9. Appellante komt verder op tegen de verlening van goedkeuring door verweerder aan de aanwijzing als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de WRO van haar aan het Boterdiep en de Haverkampsdrift gelegen percelen met uitzondering van de percelen [locaties]. Noodzaak en urgentie zijn volgens haar niet duidelijk.

2.9.1. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft de aanwijzing goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat de gronden van appellante niet kunnen worden gemist voor een doelmatige uitvoering van de bouwplannen en acht aannemelijk dat binnen vijf jaar met de uitvoering een aanvang gemaakt zal worden.

2.9.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de WRO kunnen bij een bestemmingsplan, voor zover het gronden betreft waarvan het gebruik afwijkt van het bestemmingsplan, een of meer onderdelen worden aangewezen, ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht. Ten aanzien van deze gronden kan onteigening vervolgens versneld plaatsvinden.

De Afdeling is van oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de noodzaak voor een spoedige realisering van de in geding zijnde plandelen in voldoende mate was aangetoond. Verweerder heeft, gelet op het woningbouwprogramma, de te realiseren bouwblokken, de functies en de ontsluiting voor de te bouwen parkeergarage alsmede het voorkomen van een verdere verpaupering van het Boterdiep, betekenis kunnen toekennen aan de noodzaak om op korte termijn met de planontwikkeling te starten en het gegeven dat de gronden van appellante voor een doelmatige uitvoering van het nieuwbouwplan niet kunnen worden gemist. In verband hiermee behoefde verweerder in redelijkheid geen aanleiding te zien voor het standpunt dat de gemeenteraad ten aanzien van de in geding zijnde plandelen geen toepassing heeft kunnen geven aan artikel 13, eerste lid, van de WRO.

2.10. Ten slotte betwijfelt appellante de sociaal-economische, financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan en in het bijzonder van het bronpunt Boterdiep. Ten onrechte is geen nieuw distributieplanologisch onderzoek gehouden.

2.10.1. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan vanwege de uitvoerbaarheid in strijd met het recht te achten. Hij acht voldoende draagvlak aanwezig. Naar de economische haalbaarheid van het bronpunt Boterdiep is onderzoek gedaan.

2.10.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 verricht het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Bij de planvoorbereiding heeft dit onderzoek, blijkens het tweede lid, van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.

Deze bepaling brengt met zich dat ten behoeve van het opstellen van een bestemmingsplan voldoende kennis beschikbaar moet zijn.

Gelet op de toelichting behorend bij het plan en op de overige stukken, mocht verweerder ervan uitgaan dat de gemeenteraad over voldoende kennis beschikte om tot een goed afgewogen besluit te komen. Niet is gebleken dat het plan in economische zin dan wel gelet op de ter plaatse te verwachten maatschappelijke ontwikkeling, niet uitvoerbaar is. Met betrekking tot de bedrijfseconomische haalbaarheid van het plan heeft de gemeenteraad onderzoek laten verrichten. Hierbij is rekening gehouden met plannen elders in de gemeente. Gebleken is dat op stedelijk niveau een zodanige uitbreidingscapaciteit aanwezig is dat realisering van bronpunten, waaronder het bronpunt Boterdiep, tot de mogelijkheden behoort. Voor de planontwikkeling zijn voorts kredieten beschikbaar gesteld. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, bij het nemen van het bestreden besluit in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat de uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd is.

2.11. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden door appellante, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003.

178-371.