Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4393

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200204120/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204120/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Bevanofa B.V.", gevestigd te Driebergen,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 18 juni 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Driebergen-Rijsenburg.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 4 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Driebergen-Rijsenburg (hierna: het college) een aantal verkeersmaatregelen getroffen ter afsluiting van een gedeelte van de Traaij te Driebergen-Rijsenburg.

Bij besluit van 24 april 2001 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 oktober 2002 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en mr. J.A.N. Baas, advocaat te Den Haag, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door B.J. ter Horst, en A. Vlug, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In geschil zijn een drietal verkeersbesluiten van het college van

4 juli 2000 die strekken tot het afsluiten van de Traaij te

Driebergen-Rijsenburg:

1. door het plaatsen van verkeersborden conform model C 2 en C 3 van de Bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV), met onderbord uitgezonderd voor (brom)fietsen aan te wijzen als eenrichtingsweg:

- de Traaij tussen de Oranjelaan en de Nassaulaan en dit weggedeelte gesloten te verklaren in de richting van de Oranjelaan;

- de Nassaulaan tussen de Traaij tot en met de aansluiting van de nieuw aan te leggen weg naar het parkeerterrein Traaij zuid/oost en dit weggedeelte gesloten te verklaren in de richting van de Traaij;

- de nieuw aan te leggen weg naar het parkeerterrein Traaij zuid/oost tussen de Nassaulaan tot achter het perceel Traaij 28-30 en dit weggedeelte gesloten te verklaren in de richting van de Nassaulaan;

- de laan van Blommenweert tussen de Traaij en het Heetveld en dit weggedeelte gesloten te verklaren in de richting van de Laan van Blommenweert;

- de Bosstraat tussen de Catherijnestraat en de dr. Hermanstraat en dit weggedeelte gesloten te verklaren in de richting van de Hoofdstraat;

2. door het plaatsen van fysieke maatregelen afsluiten voor motorvoertuigen de Nassaulaan aan de zijde van de Traaij en de Lindelaan aan de zijde van de Traaij;

3. door het plaatsen van verkeersborden conform model C 1 van de Bijlage I van het RVV, gesloten verklaren in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee (met uitzondering van fietsers en met uitzondering van “laden en lossen” gedurende nog nader vast te stellen en uit te werken venstertijden).

2.2. De door het college gehanteerde motivering voor de verkeersbesluiten is dat het gedeelte van de Traaij tussen de Oranjelaan en de Hoofdstraat fungeert als hoofdwinkelgebied van de gemeente, en dat dit gedeelte nauwelijks te combineren functies heeft: winkelstraat, centrumfunctie, verkeersfunctie en woonfunctie. Daarom is het noodzakelijk uit een oogpunt van verkeersveiligheid zodanige maatregelen te treffen, zowel op het hiervoor genoemde weggedeelte, als op de wegen gelegen in de directe omgeving van de Traaij, zodat voor alle weggebruikers een verkeersveilige situatie zal ontstaan. Door het samenhangend pakket van verkeersmaatregelen zal er niet alleen een goede ontsluitingsstructuur voor de Traaij ontstaan, maar bovendien een veilig verkeerssysteem. Het voorgaande is overeenkomstig het gemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid dat is vastgelegd in het Mobiliteitsplan 1994 en is uitgewerkt in het plan Duurzaam Veilig gemeente Driebergen-Rijsenburg. De herinrichting van de Traaij maakt bovendien onderdeel uit van het Centrumplan

Driebergen-Rijsburg.

2.3. In hoger beroep herhalen appellanten hun betoog dat geen volledige heroverweging, doch slechts een soort rechtmatigheidstoets heeft plaatsgevonden in de beslissing op het bezwaar. Dit betoog slaagt niet. In de bestreden beslissing zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het college geen volledige heroverweging heeft verricht.

Het betoog van appellanten dat geen sprake is van een zorgvuldige voorbereiding slaagt evenmin. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat in het kader van de totstandkoming van het Mobiliteitsplan 1994, het Plan Duurzaam Veilig gemeente Driebergen-Rijsenburg en het Centrumplan Driebergen-Rijsenburg belanghebbenden

de gelegenheid hebben gehad - en appellanten hebben hiervan gebruik gemaakt - hun zienswijze in te brengen, zodat gesproken kan worden van een goede en zorgvuldige voorbereiding. De rechtbank heeft terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het college los van deze procedures appellanten vooraf aan de besluiten in primo nog afzonderlijk had moeten horen. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat appellanten in de voorbereiding van de bestreden beslissing de gelegenheid hebben gehad om hun zienswijzen in te brengen en zijn gehoord.

2.4. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) kunnen, voorzover thans van belang, de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid van de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in standhouden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de WVW kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten.

Artikel 15, eerste lid, van de WVW bepaalt dat de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens en onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

Artikel 15, tweede lid, van de WVW bepaalt dat maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Krachtens artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) zoals dat artikel ten tijde van belang luidde, dient plaatsing en verwijdering van de borden C 1, C 2 en C 3, zoals opgenomen in bijlage 1, behorende bij het RVV, te geschieden bij verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 BABW dient de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval te vermelden welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Volgens deze bepaling wordt bij de motivering aangegeven welke van de in artikel 2, eerste lid en tweede lid, van de WVW genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.5. Voorop staat dat het kader waarbinnen een verkeersbesluit moet worden genomen en beoordeeld, is gegeven in artikel 21 van het BABW in samenhang met artikel 2 van de WVW. De bevoegdheid om verkeersbesluiten te nemen is er een met ruime beoordelingsmarges en het is aan het daartoe bevoegde orgaan om de belangen die bij het al dan niet nemen van een verkeersbesluit zijn betrokken tegen elkaar af te wegen. De rechter dient te toetsen of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de belangen, dat moet worden geoordeeld dat het college niet in redelijkheid tot de verkeersbesluiten heeft kunnen komen.

2.6. Uit de besluiten in primo en de bestreden beslissing blijkt dat de verkeersmaatregelen zijn genomen – kort samengevat - in het kader van het bevorderen van de verkeersveiligheid in en rondom de Traaij. Daarbij zijn de belangen van de winkeliers van de Traaij en omwonenden afgewogen. Het besluit kan dan ook geacht worden te strekken tot de in artikel 2 van de WVW genoemde belangen en is er voldaan aan artikel 21 van de BABW.

2.7. De Afdeling is van oordeel dat niet met vrucht kan worden staande gehouden dat het college hier, gegeven de hem toekomende ruime beoordelingsmarge, niet in redelijkheid tot de bewuste verkeersbesluiten heeft kunnen komen. Daargelaten of het Centrumplan Driebergen-Rijsburg is vastgesteld door de gemeenteraad van Driebergen-Rijenburg, blijkt uit de stukken genoegzaam dat bij de gemeente de visie bestaat om de Traaij voor gemotoriseerd verkeer af te sluiten. Het college heeft de verkeersbesluiten genomen in overeenstemming met deze visie. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat de betrokken verkeersmaatregelen ertoe strekken dat de verkeersveiligheid ter plaatse wordt bevorderd. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college de belangen, die met de verkeersbesluiten worden gediend, heeft kunnen laten prevaleren boven de belangen van appellanten, dat is gelegen in een goede bereikbaarheid van de apotheek. Hetgeen appellanten in hoger beroep hiertoe aanvoeren, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de stukken blijkt dat in het kader van de totstandkoming van de diverse verkeers- en mobiliteitsplannen het aspect van de verkeersveiligheid voldoende is onderzocht. Voorst is sprake geweest van een proefafsluiting waarvan de resultaten zijn meegenomen in de besluitvorming. De apotheek is nog steeds bereikbaar voor haar klanten. Zij kunnen op een veilige wijze naar de apotheek lopen en hun auto’s binnen een acceptabele afstand parkeren. Het college heeft bovendien voldoende flankerende maatregelen genomen ten behoeve van appellanten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college aan appellanten heeft aangeboden om ontheffing te verlenen voor de vaste leveranciers en venstertijden heeft aangewezen waarbinnen leveranciers kunnen laden en lossen. De ontheffingen zijn aangevraagd en inmiddels verleend. Voorts zijn er extra invalidenparkeerplaatsen aangelegd ten behoeve van de apotheek. De door appellanten aangedragen alternatieven zijn afgewogen in het bestreden besluit, doch niet acceptabel bevonden in het kader van de verkeersveiligheid.

Het betoog van appellanten dat de aard van het apothekersbedrijf met zich brengt dat aan hun belangen zwaarder gewicht had behoren te zijn toegekend dan is geschied slaagt niet. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat die aard is meegenomen in de gemaakte belangenafweging, zulks anders in de zaak waarnaar appellanten hebben verwezen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Tielraden

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

156-421.