Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4378

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200202511/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 96
Module Ruimtelijke ordening 2003/3836

Uitspraak

200202511/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Centrum van de gemeente Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 29 maart 2002 in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats]

en

appellante.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2000 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw voor drie woningen en een afzonderlijke bedrijfsruimte op het perceel gelegen naast het gebouw [locatie 1] te [plaats].

Bij besluit van 15 november 2000 heeft het dagelijks bestuur, voorzover hier van belang, het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de bezwaarschriftencommissie van 12 oktober 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 29 maart 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief van 10 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 juli 2002 hebben [verzoekers] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2002, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door A.J.A.P. Peters, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

Voorts zijn gehoord [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. S.M. van Velsen, advocaat te Amsterdam, en [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. P. Visser, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur bij de beslissing op bezwaar ten onrechte vrijstelling heeft verleend op grond van artikel 10, vijfde lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Uilenburg/Rapenburg” (hierna: het bestemmingsplan) nu dit planvoorschrift onverbindend is wegens strijd met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Het dagelijks bestuur betoogt dat de jurisprudentie waar de rechtbank naar verwijst, niet relevant is voor dit geding. Tevens is de wijzigingsbevoegdheid op grond van artikel 11 van de WRO niet aan de orde, aldus het dagelijks bestuur, aangezien er geen wijziging van de bestemming plaatsvindt en het bestemmingsplan een dergelijke toepassing niet kent. Het dagelijks bestuur staat verder op het standpunt dat de uitbreiding van de bebouwing in de bouwdiepte die met artikel 10, vijfde lid, van de planvoorschriften is toegestaan, van ondergeschikte aard is, nu deze uitbreiding in de bouwhoogte is beperkt tot één bouwlaag.

2.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van bij het plan aan te geven voorschriften.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden, op de plankaart bestemd voor “tuinen en erven”, aangewezen voor tuinen en erven met inbegrip van daarbij behorende voetpaden. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat op de in het eerste lid genoemde gronden mogen worden opgericht en in stand gehouden:

a) gebouwen ten behoeve van bij een woning behorende al dan niet met kappen afgedekte ruimten, zoals keukens en bergingen;

b) andere bouwwerken, voorzover deze verband houden met de bestemming van deze gronden.

Voor de in het eerste en tweede lid genoemde gronden en bebouwing gelden volgens het derde lid van dit planvoorschrift, de volgende maxima:

gebouwen, genoemd onder het tweede lid, onder a:

bouwhoogte 3 m;

vloeroppervlakte per gebouw 10 m2;

bebouwingspercentage per perceel 10;

andere bouwwerken:

bebouwingspercentage per perceel 5;

bouwhoogte 2 m.

Ingevolge artikel 10, vijfde lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in de leden 2 en 3, in dier voege dat ten behoeve van de ex artikel 3, derde lid, toegelaten bestemmingscategorieën bebouwing mag worden opgericht en in stand gehouden, met dien verstande dat:

a) deze bebouwing wordt gebouwd aansluitend aan de woonbebouwing;

b) de bouwdiepte van de woningen W1 en W2 na vergroting niet meer dan 20 meter bedraagt;

c) de bouwhoogte van de vergroting die van de eerste bouwlaag van de aangrenzende bebouwing niet te boven gaat;

d) het dak plat wordt afgedekt en de afdekking wordt afgestemd op terras en groenaanleg.

Artikel 3 van de planvoorschriften ziet op de gronden die op de plankaart zijn bestemd voor woningen W1 en W2. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat in afwijking van het bepaalde in het tweede lid de in het tweede lid genoemde gebouwen volgens op de plankaart gegeven regels tevens zodanig mogen worden geconstrueerd, dat zij kunnen worden gebruikt als ruimten ten dienste van winkels, bedrijven (met inachtneming van het bepaalde in artikel 13), kantoren, horeca en sociaal-culturele voorzieningen.

2.3. Het gebouw waarvoor de thans in het geding zijnde vrijstelling is verleend, is voorzien op gronden met de bestemming “tuinen en erven”. Vast staat dat dit gebouw onderdeel is van een gebouw dat wordt opgericht op die bijbehorende gronden met de bestemming “Woningen W1”, waarop deze bebouwing, blijkens het bestemmingsplan, is toegestaan. De Afdeling is van oordeel dat de vrijstellingsregeling die is neergelegd in artikel 10, vijfde lid, van de planvoorschriften, in zijn algemeenheid geen bestemmingswijziging tot effect heeft door mogelijk te maken op gronden met de bestemming “tuinen en erven” - waarin een functie ten dienste van de bijbehorende gronden op het perceel ligt besloten - dezelfde bebouwing toe te laten als toegestaan op de naastgelegen gronden met de bestemming “Woningen W1 en W2”. Daarbij acht de Afdeling van belang dat bebouwing op de gronden met de bestemming “tuinen en erven” ingevolge het bestemmingsplan niet is uitgesloten. In zoverre overschrijdt de regeling het toepassingsbereik van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO dan ook niet.

Evenmin is een vrijstellingsbepaling op grond waarvan een bouwdiepte van 20 meter kan worden gerealiseerd, op zich in strijd met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO.

2.4. Dit betekent echter niet dat het dagelijks bestuur in alle gevallen in redelijkheid kan besluiten tot het verlenen van vrijstelling.

Vast staat dat het bouwplan tot gevolg heeft dat het perceel volledig wordt bebouwd. Met toepassing van de vrijstellingsbepaling wordt derhalve in concreto het regulier toegestane bebouwingspercentage zodanig overschreden dat op het in geding zijnde perceel de zelfstandige betekenis van de bestemming “tuinen en erven” ten opzichte van de hoofdbestemming “Woningen W1” volledig wegvalt. De Afdeling is van oordeel dat een dergelijke toepassing in het licht van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO niet aanvaardbaar is. Het dagelijks bestuur kon derhalve niet in redelijkheid besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen. De bestreden beslissing op bezwaar berust op dit punt dan ook niet, in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, op een evenredige belangenafweging.

De Afdeling is derhalve met de rechtbank van oordeel, zij het op andere gronden, dat de beslissing op bezwaar niet in stand kan blijven.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Sluiter

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

292.