Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200205357/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de waterkering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2003/69 met annotatie van Van der Meijden
M en R 2003, 103K

Uitspraak

200205357/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

1. het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Zuiderzeeland,

2. het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

3. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad,

4. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere,

5. de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

6. de Commissaris van de Koningin in de provincie Flevoland,

7. de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2002, kenmerk ZZL02.251, heeft verweerder sub 1 (hierna: het college van dijkgraaf en heemraden) op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wet op de waterkering (hierna: de Wet) vastgesteld het dijkversterkingsplan “Oostvaardersdijk-Noord”, in de gemeenten Almere en Lelystad.

Bij besluit van 17 juli 2002, kenmerk MPV/02.090860/A, heeft verweerder sub 2 (hierna: het college van gedeputeerde staten) op grond van artikel 21, tweede lid, van de Wet bovengenoemd besluit goedgekeurd.

Voorts heeft het college van gedeputeerde staten bij besluit van 6 augustus 2002, kenmerk MB/02.093956/L, op grond van de Wet milieubeheer aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, Bouwbureau Dijkversterkingen, een vergunning verleend voor een termijn van 5 jaar na het van kracht worden van de beschikking voor het oprichten en in werking hebben van een tijdelijk werkterrein voor de opslag van in totaal maximaal 25.000 m3 dijkbekleding, 25.000 m3 stortsteen, 30.000 m3 asfalt en 65.000 m3 zand, grond en klei op de landtong ten westen van Lelystad-Haven aan de oostzijde van de Oostvaardersdijk-Noord.

Voorts heeft het college van gedeputeerde staten bij besluit van 6 augustus 2002, kenmerk MB/02.093957/L, op grond van de Wet milieubeheer aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, Bouwbureau Dijkversterkingen, een vergunning verleend voor een termijn van 5 jaar na het van kracht worden van de beschikking voor het oprichten en in werking hebben van een tijdelijk werkterrein voor de opslag van in totaal maximaal 25.000 m3 dijkbekleding, 25.000 m3 stortsteen, 30.000 m3 asfalt en 65.000 m3 zand, grond en klei op de landtong aan de oostzijde van de havenkom bij de Blocq van Kuffeler aan de westzijde van de Oostvaardersdijk-Noord.

Voorts heeft het college van gedeputeerde staten bij besluit van augustus 2002, kenmerk WenV/02.090442/A, op grond van de Wegenverkeerswet 1994, het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, de Oostvaardersdijk tussen de Grote Vaartweg en de Knardijk vanaf 1 maart 2003 gedurende maximaal 28 maanden in beide richtingen gesloten verklaard voor alle verkeer door plaatsing van het bord model C1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Bij besluit van 27 november 2001, kenmerk sb2114189.wak, heeft verweerder sub 3 (hierna: het college van burgemeester en wethouders van Lelystad) aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, een aanlegvergunning verleend krachtens het bestemmingsplan “Oostvaardersplassen en omgeving” ten behoeve van de realisering van twee uitzichtpunten aan de Oostvaardersdijk.

Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders van Lelystad bij besluit van 22 januari 2002, kenmerk sb2116293.kak, krachtens artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, Bouwbureau Dijkversterkingen, vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan “Oostvaardersplassen en omgeving” voor de duur van maximaal vijf jaren voor het inrichten van een tijdelijk werkterrein op de landtong ten zuidwesten van Lelystad-Haven.

Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders van Lelystad bij besluit van 23 juli 2002, kenmerk 01.011066, op grond van afdeling 5 van hoofdstuk 4 van de Algemene plaatselijke verordening, aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, Bouwbureau Dijkversterkingen, vergunning verleend voor het vellen van de in diens aanvraag van 12 oktober 2001 en gewijzigd 2 april 2002 bedoelde beplantingen.

Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders van Lelystad bij besluit van 18 januari 2002, kenmerk bi2/13975 en gewijzigd bij besluit van 1 februari 2002, kenmerk 02.01104, aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, Bouwbureau Dijkversterkingen, ontheffing verleend voor een periode van vijf jaar vanaf augustus 2002 van het bepaalde in artikel 4.1.6, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor het overschrijden van de richtwaarde die van toepassing is op het natuurgebied “De Oostvaardersplassen” tijdens de dijkverzwaringswerkzaamheden.

Bij besluit van 5 augustus 2002, kenmerk DSA/VH/JCH-001, heeft verweerder sub 4 (hierna: het college van burgemeester en wethouders van Almere) op grond van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan “Verbindingszone De Vaart” voor de duur van maximaal vijf jaren voor het inrichten van een tijdelijk werkterrein ten behoeve van het opslaan van bouwstoffen en het bewerken van bouwstoffen door toepassing van een mobiele breker voor het realiseren van dijkversterking op de landtong te Almere aan de oostzijde van de havenkom bij de Blocq van Kuffeler.

Bij besluit van 21 juni 2002, kenmerk DNW/02-1228, heeft verweerder sub 5 (hierna: de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij), op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet, aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, Bouwbureau Dijkversterkingen, vergunning verleend in het kader van de versterking van de Oostvaardersdijk-Noord.

Bij besluit van 28 maart 2002, kenmerk ROV/02.093292/L, heeft verweerder sub 6 (hierna: de Commissaris van de Koningin), op grond van artikel 10 van de Vogelwet 1936, vergunning verleend voor verontrusting van beschermde vogels en verstoring, vernieling dan wel beschadiging van nesten en nestgelegenheid in het kader van de versterking van de Oostvaardersdijk-Noord.

Bij besluit van 22 november 2001, kenmerk HW/AW 2001/10921, heeft verweerder sub 7 (hierna: de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat) het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, Bouwbureau Dijkversterkingen, meegedeeld dat geen vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren benodigd is, mits de versterking van de Oostvaardersdijk-Noord plaatsvindt conform diens aanvraag van 12 oktober 2001.

Voorts heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat bij besluit van 23 januari 2002, kenmerk HKW/R 2002/584, krachtens artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie IJsselmeergebied, Bouwbureau Dijkversterkingen, vergunning verleend voor het plaatsen en laten liggen van pontons langs de Oostvaardersdijk-Noord ten behoeve van het laden en lossen van materialen, in het kader van dijkbekledingswerkzaamheden aan de Oostvaardersdijk-Noord.

Tegen deze besluiten hebben appellanten bij brief van 30 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 november 2002 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 11 november 2002 hebben het college van dijkgraaf en heemraden, het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders van Lelystad, het college van burgemeester en wethouders van Almere en de Commissaris van de Koningin, verweerschriften ingediend.

Nader is ingekomen een brief van 25 november 2002 van de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2002, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. W.L. Leefer, advocaat te Naarden, en het college van dijkgraaf en heemraden, vertegenwoordigd door ing. W. van Dijk, ambtenaar van het waterschap, het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door ing. E. de Beer en mr. A. Beumer, ambtenaren van de provincie, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, vertegenwoordigd door mr. J. van der Toolen, ambtenaar van de gemeente Lelystad, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, vertegenwoordigd door mr. J.C. Haan, ambtenaar van de gemeente Almere, de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, ambtenaar van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Commissaris van de Koningin, vertegenwoordigd door ing. E. de Beer, ambtenaar van de provincie, en de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door mr. A van der Luit, ambtenaar van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, zijn verschenen. Voorts zijn daar namens de minister van Verkeer en Waterstaat gehoord ir. P.A. van Rijen, ing. H.J. Regeling, ir. J. Driebergen en drs. J.W.P. de Bakker.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet, geschieden de aanleg van een primaire waterkering alsmede de wijziging in richting, vorm, afmeting of constructie van een primaire waterkering overeenkomstig een door de beheerder vastgesteld en door het college van gedeputeerde staten goedgekeurd plan. De goedkeuring kan ingevolge artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht slechts aan het plan worden onthouden wegens strijd met het recht.

2.1.1. Het voorliggende door het college van dijkgraaf en heemraden vastgestelde dijkversterkingsplan, dat door het college van gedeputeerde staten is goedgekeurd, heeft betrekking op de Oostvaardersdijk-Noord over een lengte van ongeveer 16 kilometer. Met het plan wordt beoogd de Oostvaardersdijk-Noord te versterken door buitendijkse taludverflauwing, integrale kruinverhoging en binnendijkse profieluitbreiding, zodanig dat wordt voldaan aan de veiligheidsnorm van 1/4000. Het plan voorziet onder meer in een vier meter brede beplantingsvrije zone aan de binnenteen, waardoor de daar aanwezige wilgbegroeiing verdwijnt. Met het plan wordt tevens beoogd dit verlies zowel kwantitatief als kwalitatief te compenseren.

2.1.2. Indien het plan, zoals hier het geval is, betrekking heeft op de aanleg of verbetering van tot directe kering van buitenwater bestemde primaire waterkeringen teneinde voor de eerste maal te voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet vastgestelde veiligheidsnorm, zijn hierop de artikelen 18 tot en met 31 van de Wet van toepassing. Deze regels voorzien onder andere in een parallelschakeling van de voorbereiding van het plan met de procedures voor het verkrijgen van de benodigde uitvoeringsbesluiten, wijzen het college van gedeputeerde staten aan als coördinerend bestuursorgaan en stroomlijnen, versnellen en concentreren de rechtsbescherming.

2.2. Enkele verweerders hebben betoogd dat appellanten niet zijn aan te merken als belanghebbenden bij het dijkversterkingsplan en dat hun beroep derhalve niet ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wet kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van artikel 7, voorzover dit is genomen met toepassing van de artikelen 17 tot en met 23, en de artikelen 18 tot en met 23 beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. De wetgever heeft die eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een hem persoonlijk aangaand belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen.

2.2.1. Appellanten wonen in [woonplaats] in de provincie Noord-Holland op grote afstand van de Oostvaardersdijk-Noord. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellanten in een gebied in de directe nabijheid van de Oostvaardersdijk-Noord ringactiviteiten verrichten in het kader van onderzoek naar de vogelpopulatie. Als gevolg van het dijkversterkingsplan zullen zij hun activiteiten enkele tientallen meters moeten verplaatsen. Nu ter zitting is gebleken dat appellanten een ontheffing hebben van de keur van het waterschap Zuiderzeeland om dat gebied te betreden ten behoeve van deze activiteiten, is de Afdeling van oordeel dat zij in dit geval een voldoende persoonlijk en rechtstreeks belang hebben bij de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan om hen als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan te merken.

2.3. Appellanten stellen in beroep dat de voorkeursvariant waarvoor in het plan is gekozen in strijd is met de Vogelrichtlijn, het Structuurschema Groene Ruimte (hierna: SGR), het Provinciaal Omgevingsplan (hierna: POP) en de Regionota beheer Rijkswateren IJsselmeergebied (hierna: Regionota). Volgens hen wordt door het rooien van de wilgenstrook langs de dijk de ecologische hoofdstructuur tussen de Oostvaardersplassen en de Lepelaarsplassen en het leefgebied van een groot aantal beschermde vogelsoorten in sterke mate aangetast. Er bestaan alternatieven die de ecologische waarden minder aantasten, aldus appellanten. Verder stellen zij dat zij hun ringplaats zullen verliezen.

2.3.1. Het college van dijkgraaf en heemraden stelt zich op het standpunt dat het kappen van de wilgen een tijdelijk verstoring geeft en plaatsvindt in een periode dat weinig vogels in het gebied aanwezig zijn. Volgens het college blijft de aantasting voorts beperkt omdat niet alle wilgen verdwijnen en nieuwe wilgen worden aangeplant. Verder kunnen de ringactiviteiten na het gereedkomen van het werk worden hervat. Het college van gedeputeerde staten stelt zich daarenboven op het standpunt dat bij de afweging van de verschillende varianten in voldoende mate rekening is gehouden met het geldende beleid en dat wordt voldaan aan de Vogelrichtlijn. Alternatieven zijn niet mogelijk omdat daarmee stabiliteitsproblemen van de dijk niet kunnen worden opgelost, aldus het college. Voorts stelt het college dat de ringactiviteiten enkele meters landinwaarts kunnen worden voortgezet.

2.3.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; verder: Vogelrichtlijn) dienen de Lid-Staten voor de leefgebieden van de in Bijlage I van de richtlijn genoemde vogelsoorten speciale beschermingsmaatregelen te treffen, met name door het aanwijzen van de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszone. Ingevolge artikel 4, tweede lid, dienen de Lid-Staten soortgelijke maatregelen te nemen ten aanzien van de niet in Bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones.

Ingevolge artikel 7 van de richtlijn 92/43/ EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; verder: Habitatrichtlijn) komen de uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, voortvloeiende verplichtingen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, vierde lid, eerste zin, van de Vogelrichtlijn, voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van die richtlijn zijn aangewezen of bij analogie overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van die richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de datum van toepassing van de onderhavige richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning door een Lid-Staat overeenkomstig de Vogelrichtlijn, indien deze datum later valt.

In artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, is bepaald dat de Lid-Staten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover die factoren, gelet op de doelstellingen van de richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben.

In artikel 6, derde lid, is bepaald dat voor plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.

In artikel 6, vierde lid, is - voorzover hier van belang - bepaald dat indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen neemt om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

2.3.3. De Oostvaardersplassen en het aangrenzende Markermeer zijn aangewezen als speciale beschermingszones in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn. Een gedeelte van de Oostvaardersdijk-Noord, zoals opgenomen in dit plan, vormt de grens tussen de Oostvaardersplassen en het Markermeer. Het dijkversterkingsplan betreft een eenmalig plan teneinde de Oostvaardersdijk op het vereiste veiligheidsniveau te brengen.

2.3.4. De Oostvaardersdijk maakt voorts deel uit van een kerngebied binnen de ecologische hoofdstructuur, zoals vastgelegd in het SGR. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in haar uitspraak van 11 januari 2000, no. E01.97.0234 (AB 2000, 301, IJburg) kan het SGR evenwel niet gelden als implementatie van de hier aan de orde zijnde bepalingen van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn, aangezien het geen algemeen verbindende voorschriften bevat.

De Oostvaardersplassen zijn tevens aangewezen als staatsnatuurmonument als bedoeld in artikel 21 van de Natuurbeschermingswet. Zoals de Afdeling reeds meerdere malen heeft overwogen, is voor staatsnatuurmonumenten op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet een vergunning vereist voor het verrichten, doen verrichten of gedogen van handelingen die schadelijk zijn voor het natuurschoon of voor de natuurwetenschappelijke status ervan of die het staatsnatuurmonument ontsieren. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in haar uitspraak van 31 maart 2000, no. E01.97.0178 (AB 2000, 302, Texel), bevat de Natuurbeschermingswet echter geen regels die uitdrukkelijk bedoeld zijn als implementatie van de verplichting om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten niet verslechtert en er geen storende factoren optreden, voorzover die factoren een significant effect zouden kunnen hebben.

2.3.5. In de projectnota/MER is een aantal varianten onderzocht, waaronder varianten waarbij de gehele wilgbegroeiing zou kunnen worden gespaard. Uiteindelijk is gekozen voor de voorkeursvariant die in het plan is opgenomen. Deze variant voorziet in een verhoging van de dijk en verflauwing van het buitentalud en het binnentalud. Als gevolg hiervan moet de wilgenstrook aan de binnenzijde van de dijk gedeeltelijk worden gerooid om plaats te maken voor binnendijkse profieluitbreiding en voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de stabiliteit van de dijk.

Niet in geding is dat de wilgenstrook intrinsiek een waardevol natuurelement is. Ook als structuurelement is de strook belangrijk, omdat deze vogels dwingt hoger over de dijk te vliegen. Voorts betreft het een doorgaande ecologische route langs de dijk en tussen de Lepelaarplassen en de Oostvaardersplassen. Uit het bijlagenrapport bij de projectnota/MER blijkt dat de wilgbegroeiing van belang is voor algemene zangvogels, maar ook voor meer zeldzame broedvogels en als trekroute. Verwijdering van de wilgenzone leidt blijkens het bijlagenrapport tot direct verlies van geschikte (broed)biotoop en tot een grotere aanrijdkans voor vogels. Tijdens de aanlegfase zullen broedvogels worden verstoord. Ook zal de nestgelegenheid voor holenbroeders afnemen.

Verweerders hebben voor de faunistische informatie gebruik gemaakt van reeds beschikbare rapportages, die dateren uit onder andere 1991, 1997, 1999 en 2001. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerders gebruikte onderzoeken ondeugdelijk dan wel onvolledig zijn, zodat zij hiervan geen gebruik hadden mogen maken.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de wilgbegroeiing die wordt gerooid een oppervlakte van ongeveer 28,8 ha. Elders in het staatsnatuurmonument de Oostvaardersplassen, dat een totale oppervlakte heeft van ongeveer 3600 ha, blijft voldoende geschikte biotoop over waar de vogels naar kunnen uitwijken. De wilgbegroeiing wordt voorts niet in een keer geheel verwijderd en verwijdering vindt plaats buiten het broedseizoen. Bovendien voorziet het plan in de herplant van wilgen landinwaarts, direct aansluitend aan de bestaande strook, waarmee ingevolge de door het college van burgemeester en wethouders van Lelystad verleende kapvergunning waar mogelijk reeds tijdens het vellen van de bestaande houtopstand dient te worden begonnen. Uiterlijk twee jaar na de voltooiing van de dijkversterking dient de herplant gereed te zijn. Ook hierdoor worden de nadelige effecten op de vogelstand beperkt. Tenslotte is een substantiële toename van het aantal verkeersslachtoffers niet te verwachten. De Afdeling acht het standpunt dat de effecten op zowel de voor de Vogelrichtlijn kwalificerende soorten als op de overige vogelsoorten, waaronder holenbroeders, zeer beperkt blijven mede gelet op de tijdelijkheid ervan derhalve aannemelijk.

Gelet op deze beperkte effecten, ook ten aanzien van de kwalificerende vogelsoorten, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat als gevolg van de dijkversterking storende factoren met een significant effect als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn zouden kunnen worden verwacht. De vraag omtrent de toepasselijkheid en de rechtstreekse werking van genoemde bepalingen in artikel 6 van de Habitatrichtlijn behoeft geen beantwoording, nu niet kan worden geoordeeld dat aan deze bepalingen in dit geval niet is voldaan. Het college van dijkgraaf en heemraden en het college van gedeputeerde staten hebben op dit punt geen aanleiding behoeven te zien het dijkversterkingsplan niet vast te stellen dan wel hieraan goedkeuring te onthouden.

2.3.6. Zoals hiervoor overwogen maakt de Oostvaardersdijk deel uit van een kerngebied binnen de ecologische hoofdstructuur, zoals vastgelegd in het SGR. Het SGR staat ingrepen en ontwikkelingen in en in de onmiddellijke nabijheid van de kerngebieden niet toe, indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Alleen bij een zwaarwegend maatschappelijk belang kan hiervan worden afgeweken, waarbij moet worden nagegaan of aan dit belang niet redelijkerwijs elders of op andere wijze tegemoet kan worden gekomen.

Niet in geding is dat met de dijkversterking een zwaarwegend maatschappelijk belang wordt gediend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voor alle varianten geldt dat werkzaamheden aan het steile binnentalud nodig zijn om de bestaande stabiliteitsproblemen op te lossen, te weten taludverflauwing en de aanleg van een steunberm of – plaatselijk – een damwand. Alternatieven, waaronder de aanleg van vooroevers met golfbrekers, waarbij de wilgbegroeiing wordt gespaard, zijn derhalve niet mogelijk. Voor zover appellanten betogen dat de alternatieven na wijziging van het ontwerpplan opnieuw hadden moeten worden afgewogen, overweegt de Afdeling dat heroverweging van de alternatieven gelet op het vorenstaande niet had kunnen leiden tot een nieuwe wijziging van het ontwerp. De wijziging van het ontwerpplan betreft voorts slechts een optimalisatie van de gekozen voorkeursvariant waarmee de microstabiliteit wordt gewaarborgd.

Gelet hierop behoeft de vraag of de dijkversterkingswerkzaamheden de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten, zoals bedoeld in het SGR, geen beantwoording. Gelet hierop en ook overigens is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken dat het plan in strijd met het SGR is vastgesteld en goedgekeurd.

2.3.7. De Oostvaardersdijk biedt volgens het POP en de Regionota goede ontwikkelingsmogelijkheden voor vooroevers. Dit betekent echter niet dat na afweging van alle belangen in dit geval niet gekozen had kunnen worden voor een variant waarin niet wordt voorzien in een ondiepe vooroever. In dijkvak I bevindt zich volgens het POP voorts een ecologische verbindingszone. Deze is blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ruim 200 meter breed. Gebleken is dat deze ecologische verbindingszone ook na het rooien van de wilgen nog voldoende breed blijft. Gelet hierop en ook overigens is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken dat het plan in strijd met het POP of de Regionota is vastgesteld en goedgekeurd.

2.3.8. De Afdeling overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bevoegde bestuursorganen bereid zijn mee te werken aan een verplaatsing van de ringplaats van appellanten. Doordat de werkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd, blijft de periode dat appellanten niet kunnen ringen voorts beperkt. Gelet hierop en op het feit dat de nadelige gevolgen voor appellanten slechts tijdelijk zijn, is de Afdeling van oordeel dat het college van dijkgraaf en heemraden en het college van gedeputeerde staten in redelijkheid aan het belang van de dijkversterking een groter gewicht hebben kunnen toekennen dan aan het belang van appellanten bij behoud van hun ringplaats.

2.4. Appellanten stellen in beroep voorts dat ten onrechte geen ontheffing van de Flora- en faunawet is verleend.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wet op 12 oktober 2001 de uitvoeringsbesluiten bij de bevoegde bestuursorganen zijn aangevraagd en dat deze op 17 oktober 2001 tezamen met het ontwerpplan terinzage zijn gelegd. Een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet is niet aangevraagd. De Flora- en faunawet is echter eerst op 2 april 2002 in werking getreden. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat het college van gedeputeerde staten in dit geval de in de artikelen 18 tot en met 20 van de Wet aan hem toegekende coördinerende taak met betrekking tot het aanvragen van al de voor het plan noodzakelijke besluiten niet onzorgvuldig heeft uitgevoerd. Het beroep van appellanten is in zoverre ongegrond.

2.5. Appellanten stellen in beroep voorts dat ten onrechte een tijdelijke vrijstelling op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en een vergunning op grond van de Wet milieubeheer is verleend voor de inrichting van het westelijke werkterrein. Volgens hen heeft dit werkterrein een groot verstorend effect op de ecologische hoofdstructuur en is er voldoende ruimte beschikbaar op het nabij gelegen industrieterrein “De Vaart”.

2.5.1. Volgens het college van burgemeester en wethouders van Almere zou een alternatieve locatie op het industrieterrein juist een toename van het aantal vrachtverkeersbewegingen naar de Oostvaardersdijk tot gevolg hebben. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat het werkterrein is gelegen binnen de geluidszone van het industrieterrein “De Vaart” en dat de voorgeschreven geluidsbelasting niet wordt overschreden.

2.5.2. Het westelijke werkterrein zal worden ingericht nabij de bestaande werkhaven op de landtong aan de oostzijde van de havenkom bij de Blocq van Kuffeler. De ecologische verbindingszone ligt tussen het werkterrein en het industrieterrein “De Vaart”.

De benodigde materialen kunnen over water naar de werkhaven worden aangevoerd, waardoor de aanvoer met vrachtwagens over de weg door de ecologische verbindingszone wordt beperkt. De Afdeling is mitsdien van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders van Almere in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor de inrichting van het werkterrein op de genoemde locatie.

De inrichting is gelegen binnen de geluidszone van het industrieterrein “De Vaart”. Blijkens het akoestisch onderzoek dat is verricht in het kader van de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de grens van de zone van het industrieterrein 35 dB(A). De toegestane geluidsbelasting van 50 dB(A) op de buitengrens van de zone wordt derhalve niet overschreden. Op de grens met het stiltegebied Oostvaardersplassen zal de geluidsbelasting vanwege het werkterrein 17 dB(A) bedragen. De richtwaarde van 35 dB(A) op de grens van het stiltegebied wordt daar derhalve evenmin overschreden. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het werkterrein geen groot verstorend effect op de ecologische hoofdstructuur zal hebben. Het heeft hierin derhalve geen aanleiding behoeven te zien de vergunning te weigeren.

Het beroep van appellanten is in zoverre ongegrond.

2.6. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college van dijkgraaf en heemraden het plan in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het college van gedeputeerde staten heeft geen reden behoeven te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de genomen besluiten anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel, dan wel enig algemeen rechtsbeginsel. Het beroep van appellanten is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

270-410.