Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4373

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200201436/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/497

Uitspraak

200201436/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Nortan Investment BV" en de coöperatie "Woningeigenaren It Soal", respectievelijk gevestigd te Groningen en Workum,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Culterra Holland b.v.", gevestigd te Workum,

4. [appellanten], wonend te [woonplaats],

5. [appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2002, kenmerk WO|CV|2-2847, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante sub 3 een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de productie van hoogwaardige, organisch minerale meststoffen op het perceel aan de Kaeidijk 6 te Workum, kadastraal bekend gemeente Nijefurd, sectie A, nummers 4349, 4448, 6415, 6417 en 6808. Dit besluit is op 8 februari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 10 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2002, appellanten sub 2 bij brief van 13 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2002, appellante sub 3 bij brief van 14 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2002, appellanten sub 4 bij brief van 19 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2002, en appellant sub 5 bij brief van 18 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 8 april 2002. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 12 april 2002. Appellanten sub 4 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 2 april 2002.

Bij brief van 17 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 oktober 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is bij brief van 31 december 2002 een reactie op het deskundigenbericht ontvangen van appellanten sub 4. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2003, waar [appellant sub 1], appellanten sub 2 vertegenwoordigd door mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen, appellante sub 3 vertegenwoordigd door [gemachtigden], appellanten sub 4 vertegenwoordigd door [gemachtigde] en verweerder, vertegenwoordigd door T. Pijnacker en E. Hendriks, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn namens vergunninghoudster [gemachtigden] daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten sub 1, sub 2 en sub 5 hebben de gronden inzake de twijfel over de handhaving van de vergunning, de door storingen veroorzaakte hinder (appellant sub 1), het ten onrechte vergelijken van de grasdrogerij met het mengen en drogen van dierlijke mest (appellanten sub 2 en sub 5), de waardevermindering van woningen, het ontbreken van een gemeentelijk milieuplan en het ontbreken van sancties in de vergunningvoorschriften (appellant sub 5) niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Evenmin is het bepaalde onder b en c hier van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 1, sub 2 en sub 5 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellant sub 5 voert aan dat door een aantal wettelijke adviseurs geen advies is uitgebracht.

De Afdeling overweegt dat uit de stukken blijkt dat de wettelijke adviseurs in de gelegenheid zijn gesteld een advies uit te brengen. Hiermee is aan het vereiste van artikel 8.7 van de Wet milieubeheer voldaan. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.3. Appellant sub 5 voert aan dat verweerder niet bevoegd was op de aanvraag te beslissen en dat de aanvraag in de gemeenteraad had moeten worden besproken.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de onderhavige inrichting valt onder categorie 7.1 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer. Op grond hiervan en op grond van het bepaalde in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting is gelegen bevoegd om te beslissen op de aanvraag om vergunning. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellant sub 1 en appellanten sub 2 voeren aan dat het besluit is genomen op basis van onvolledige informatie en dat hierdoor de motivering van het besluit ondeugdelijk is en onvoldoende rekening is gehouden met het toetsingskader van artikel 8.8 tot en met 8.10 van de Wet milieubeheer. Appellanten sub 2 en sub 5 voeren aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de aanwezigheid van het recreatiepark Waterpark It Soal en de woonomgeving.

De Afdeling is van oordeel dat uit hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet blijkt dat de aanvraag om een milieuvergunning onvoldoende informatie bevatte om besluitvorming mogelijk te maken. Evenmin is uit hetgeen appellanten hebben aangevoerd noch anderszins gebleken dat de motivering van het bestreden besluit onvoldoende is en dat bij de besluitvorming geen rekening is gehouden met de omgeving van de inrichting. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.6. Appellante sub 3 voert aan dat vergunningvoorschrift 12 van hoofdstuk VIII onvoldoende rechtszekerheid biedt en onvoldoende handhaafbaar is. Zij verzoekt de Afdeling het voorschrift zelfvoorziend aan te passen. Appellant sub 5 is van mening dat dit geurvoorschrift een te subjectief karakter heeft.

2.6.1. Verweerder stemt met deze kritiek in en stelt voor dat de Afdeling zelfvoorziend het betreffende voorschrift aanpast.

2.6.2. Voorschrift 12 van hoofdstuk VIII schrijft voor dat de inrichting zodanig in werking moet zijn dat er geen geurhinder in de omgeving optreedt. Uit het voorschrift blijkt niet wanneer naar het oordeel van verweerders sprake is van stankhinder. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Deze beroepsgrond treft derhalve doel. De door partijen voorgestelde geurnorm van 1 geureenheid per kubieke meter lucht als 98-percentiel ter plaatse van geurgevoelige objecten is een bij mestverwerkende bedrijven veelvuldig toegepaste norm die een goede bescherming tegen geurhinder biedt. Gelet hierop zal de Afdeling in zoverre op nader te beschrijven wijze in de zaak voorzien.

2.7. Alle appellanten, behalve appellante sub 3, voeren aan dat geurhinder wordt ondervonden. Zij stellen dat de huidige situatie waarin mest wordt gedroogd niet vergelijkbaar is met de vroegere situatie waarin gras werd gedroogd en dat er daarom niet zonder meer van uit mag worden gegaan dat er thans minder geur vrijkomt en bovendien dat ten onrechte uitgegaan wordt van verwachtingen over geurhinder in plaats van onderzoek. Appellanten sub 2 voeren hierbij nog aan dat is nagelaten vast te stellen wat het acceptabele hinderniveau van de inrichting is.

2.7.1. Verweerder voert aan bij de beoordeling van de geurhinder aansluiting te hebben gezocht bij de Nederlandse emissie richtlijnen voor lucht. In de vergunning zijn de emissie-eisen uit de bijzondere regeling voor mestverwerkende bedrijven overgenomen. Hierbij is verweerder uitgegaan van een geurnorm van 1 geureenheid per kubieke meter lucht als 98-percentiel. Verweerder stelt dat in vergunningvoorschrift 13 van hoofdstuk VIII is voorgeschreven dat na plaatsing van de drooginstallatie een geuronderzoek moet plaatsvinden om aan te tonen dat aan deze geurnorm kan worden voldaan.

2.7.2. De Afdeling overweegt dat verweerder zich bij zijn beoordeling van stankhinder kennelijk heeft gebaseerd op het Rijksbeleid met betrekking tot het normeren van geur als gevolg van industriële activiteiten zoals deze is neergelegd in een brief van de Minister van VROM van 30 juni 1995, kenmerk LE/LV/AJS95.16B. De door verweerder op grond van dit beleid als uitgangspunt gehanteerde geurnorm van 1 geureenheid per kubieke meter lucht als 98-percentiel geldt in de onderhavige omstandigheden als de strengst mogelijke norm ter voorkoming van geurhinder. Gelet op het bovenstaande is er geen grond om er van uit te gaan dat het acceptabele geurhinderniveau lager is.

Vast staat dat ten tijde van het bestreden besluit de drooginstallatie voor mest nog niet was aangeschaft. Verweerder heeft aan de hand van de in de aanvraag genoemde geurreducerende maatregelen en de in de aanvraag opgenomen gegevens over de drooginstallatie een inschatting gemaakt van de te verwachten geurhinder. Op basis van deze inschatting valt te verwachten dat de geurnorm van 1 geureenheid per kubieke meter lucht als 98-percentiel ter plaatse van geurgevoelige objecten kan worden gehaald. Tevens heeft verweerder in vergunningvoorschrift 13 van hoofdstuk VIII voorgeschreven dat een geuronderzoek moet plaatsvinden om aan te tonen dat de toegepaste geurbeperkende maatregelen er inderdaad toe leiden dat de onderhavige inrichting aan de geurnorm kan voldoen. Verweerder is er dan ook niet zonder meer van uitgegaan dat het drogen van mest minder geurhinder veroorzaakt dan het drogen van gras. Gelet hierop en gelet op het deskundigenbericht is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende bescherming tegen geurhinder wordt geboden. Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.8. Appellant sub 5 voert aan astmatisch te zijn en stelt dat het verwerken en drogen van mest zijn gezondheidstoestand zal doen verslechteren.

De Afdeling overweegt dat volgens vaste jurisprudentie bij de vergunningverlening geen rekening behoeft te worden gehouden met mogelijke hinder die een omwonende ondervindt als gevolg van een bijzondere gevoeligheid voor de vergunde activiteiten. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.9. Appellanten sub 1 en sub 5 voeren aan geluidhinder te ondervinden. Hierbij stelt appellant sub 1 dat de gestelde geluidsgrenswaarden extreem hoog zijn voor een agrarisch gebied. Tevens stelt hij dat geen onderzoek is gedaan naar de milieueffecten van het geluid, maar is uitgegaan van verwachtingen.

2.9.1. Verweerder voert aan dat in het bij de aanvraag gevoegde akoestischrapport van Cauberg-Huygen onderzoek is gedaan naar de geluidssituatie en dat de geluidsimmissie van de inrichting is getoetst aan de vastgestelde geluidzone om het gezoneerde industrieterrein.

2.9.2. De Afdeling stelt vast dat de onderhavige inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Rond dit industrieterrein is ingevolge artikel 53 van de Wet geluidhinder een geluidzone vastgelegd waar buiten de geluidbelasting vanwege het terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. In het geval van vergunningverlening voor een bedrijf op een gezoneerd industrieterrein moet verweerder de zonegrenswaarden op grond van artikel 8.8, derde lid, onder a, van de Wet milieubeheer in acht nemen. Verweerder moet dus bezien of de aangevraagde activiteit mogelijk tot overschrijding van de 50 dB(A) zonegrenswaarde leidt.

Bij de aanvraag om vergunning is een akoestisch rapport overgelegd van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs BV. In dit rapport wordt op grond van berekeningen geconcludeerd dat de inrichting bij de aangevraagde en vergunde geluidbelasting geen invloed zal hebben op de 50 dB(A) contour rond het industrieterrein. Dit betekent dat de geluidproductie van de inrichting er niet tot zal leiden dat deze tezamen met de geluidproductie van andere bedrijven op het industrieterrein op de zonegrens een geluidniveau van 50 dB(A) zal overschrijden.

Mede gezien het deskundigenbericht neemt de Afdeling aan dat in het akoestisch rapport juiste uitgangspunten worden gehanteerd en dat de uitkomsten van de in dat rapport uitgevoerde berekeningen juist zijn. Op grond hiervan stelt de Afdeling vast dat de geluidzone van 50 dB(A) in acht wordt genomen. De gestelde geluidvoorschriften zijn in zoverre dus niet onjuist. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.10. Appellanten sub 4 voeren aan dat hun belangen in ernstige mate worden geschaad. Zij stellen dat hun aan de Kaeidijk gelegen restaurant hinder ondervindt van de aan- en afvoerbewegingen over deze dijk. Het gaat hierbij, volgens appellanten, om geluidhinder, trillingsschade en stank van uitlaatgassen.

2.10.1. Verweerder stelt dat uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek blijkt dat het geluidniveau onder de daarvoor geldende normen ligt.

2.10.2. Zoals hierboven reeds gesteld ligt de onderhavige inrichting op een industrieterrein. De Afdeling heeft in haar uitspraak E03.96.0906 van 13 oktober 1997 geoordeeld dat het verkeer van en naar een inrichting gelegen op een gezoneerd industrieterrein niet getoetst behoeft te worden aan de geldende grenswaarden voor de inrichting zelf, noch aan de zonegrens, noch aan de voorgestelde grenswaarden in de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, nr. MBG 96006131, inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer". Wel dienen middelvoorschriften ten aanzien van deze verkeersbewegingen te worden gesteld indien dit noodzakelijk is ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder. Uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van Cauberg-Huygen blijkt echter dat de geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van woningen van derden de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet overschrijdt. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nadere voorschriften met betrekking tot de verkeersbewegingen niet noodzakelijk waren.

Het restaurant van appellanten is gelegen aan een doorgaande weg. Mede gelet op het deskundigenbericht stelt de Afdeling vast dat de trillings- en stankhinder veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting wegvalt ten opzichte van de door het verkeer op deze weg veroorzaakte hinder. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.11. Appellanten sub 4 voeren aan dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en treft reeds om die reden geen doel.

2.12. Het beroep is gegrond voorzover het vergunningvoorschrift 12 van hoofdstuk VIII betreft. De Afdeling zal op hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.13. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 1, sub 2 en sub 5 niet-ontvankelijk voorzover het de gronden inzake de twijfel over de handhaving van de vergunning, de door storingen veroorzaakte hinder, het ten onrechte vergelijken van de grasdrogerij met het mengen en drogen van dierlijke mest, de waardevermindering van woningen, het ontbreken van een gemeentelijk milieuplan en het ontbreken van sancties in de vergunningvoorschriften, betreft;

II. verklaart het beroep van appellante sub 3 en appellant sub 5 gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd van 5 februari 2002, kenmerk WO|CV|2-2847, voorzover het vergunningvoorschrift 12 van hoofdstuk VIII betreft;

IV. verklaart dat vergunningvoorschrift 12 van hoofdstuk VIII luidt:

De geuremissie dient zodanig te zijn dat voldaan wordt aan de norm van 1 ge/m3 als 98 percentiel bij stankgevoelige objecten in de omgeving;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd in de door appellante sub 3 en appellant sub 5 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 voor appellante sub 3 en € 322,00 voor appellant sub 3, welke bedragen geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Nijefurd te worden betaald aan appellante sub 3 en appellant sub 5;

VIII. gelast dat de gemeente Nijefurd aan appellante sub 3 en appellant sub 5 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 voor appellante sub 3 en € 109,00 voor appellant sub 5) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003