Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200200478/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eventuele strijdigheid van het waterbeheersplan met het vigerende planologische regime kan invloed hebben op de rechtmatigheid van het goedkeuringsbesluit van GS.

Verlenen goedkeuring GS aan waterbeheersplan en peilbesluit. De Afdeling stelt voorop dat zij het standpunt van de rechtbank, dat eventuele strijdigheid van het waterbeheersplan met het vigerende planologische regime, wegens het ontbreken van een hiërarchisch verband tussen deze plannen, geen invloed heeft op de rechtmatigheid van het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, in zijn algemeenheid niet deelt. Niet ondenkbaar is, dat een besluit tot goedkeuring door GS van een waterbeheersplan, dat in ernstige mate afbreuk doet aan de rechten die een betrokkene kan ontlenen aan een door gedeputeerde staten goedgekeurd bestemmingsplan, voor vernietiging in aanmerking komt. Zo'n situatie doet zich hier echter niet voor.

Gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

mrs. J.H.B. van der Meer, E.M.H. Hirsch Ballin, B.J. van Ettekoven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/854
AB 2003, 168
M en R 2003, 119

Uitspraak

200200478/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

appellant, wonend te Amersfoort,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 11 december 2001 in het geding tussen:

appellant

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 28 juni 2000 heeft de Vergadering van Hoofdingelanden van het waterschap Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch voor het gehele beheersgebied het waterbeheersplan 2000-2003 ‘Helder op peil’ en een peilbesluit vastgesteld.

Bij besluiten van 29 september 2000, respectievelijk 21 november 2000, hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) het peilbesluit en het waterbeheersplan goedgekeurd.

Bij uitspraak van 11 december 2001, verzonden op 13 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard om van het tegen het besluit van 29 september 2000 door appellant ingestelde beroep (betreffende het peilbesluit) kennis te nemen, en het door appellant tegen het besluit van 21 november 2000 ingestelde beroep (betreffende het waterbeheersplan) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brieven van 17 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 maart 2002 en 8 april 2002 hebben gedeputeerde staten en het Hoogheemraadschap een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door ing. J. Ram, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn namens het Hoogheemraadschap gehoord [belanghebbende] en [belanghebbende], werkzaam bij het waterschap.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet op de waterhuishouding (hierna: de WHH) stelt een kwantiteitsbeheerder, niet zijnde het Rijk, met betrekking tot oppervlaktewateren onder zijn beheer een beheersplan vast, en wordt bij die vaststelling rekening gehouden met het provinciaal plan voor de waterhuishouding. Ingevolge artikel 9, derde lid, behoeft een niet door het provinciaal bestuur vastgesteld beheersplan de goedkeuring van gedeputeerde staten.

2.1.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WHH, voor zover hier van belang, is een waterkwantiteitsbeheerder in daartoe aan te wijzen gevallen verplicht voor oppervlaktewateren onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast te stellen en wordt bij het vaststellen van het peilbesluit rekening gehouden met het in artikel 9 bedoelde beheersplan, dat van toepassing is op de oppervlaktewateren waarop het peilbesluit betrekking heeft.

2.1.3. Ingevolge artikel 148 van de Waterschapswet, in samenhang met artikel 19, eerste lid, van het Reglement voor het Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch, zijn peilbesluiten, als bedoeld in artikel 16 van de WHH, aan de goedkeuring van gedeputeerde staten onderworpen.

2.1.4. Ingevolge artikel 149, eerste lid, van de Waterschapswet kunnen gedeputeerde staten een besluit van het waterschapsbestuur slechts gedeeltelijk goedkeuren of aan dat besluit goedkeuring onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

2.2. Gedeputeerde staten hebben bij de hier aan de orde zijnde besluiten goedkeuring verleend aan het hierboven genoemde waterbeheersplan en het peilbesluit.

2.3. Appellant, die een grootschalig akkerbouw- en griendteeltbedrijf exploiteert, is bevreesd voor belemmering van het gebruik van zijn gronden, omdat de in het beheersplan aan zijn gronden toegekende functie ‘water voor de landnatuur’ niet strookt met de waterstanden die voor akkerbouw en griendteelt nodig zijn.

Het beheersplan en het peilbesluit zijn volgens hem strijdig met de vigerende ruimtelijke ordeningsplannen, waaronder met name het bestemmingsplan, waarin het primaat aan de agrarische bestemming is toegekend. Naar zijn mening dient het bestemmingsplan, waarin de bij de ruimtelijke ordening betrokken belangen volledig zijn afgewogen, richtinggevend te zijn voor de mogelijkheden voor de waterhuishouding.

Appellant heeft voorts gesteld bevreesd te zijn dat de in het peilbesluit vastgestelde peilen onherroepelijk zijn gefixeerd en niet meer zullen kunnen worden gewijzigd indien dit om landbouwkundige redenen noodzakelijk zou zijn, bijvoorbeeld ten gevolge van de in het gebied optredende bodemdaling.

2.4.1. Blijkens het goedkeuringsbesluit hebben gedeputeerde staten het beheersplan getoetst aan het geldende provinciale waterhuishoudingsplan en de Vierde nota waterhuishouding. In deze plannen is aan de desbetreffende gronden van appellant in het gebied het “Uitwijkse veld” de functie ‘water voor de landnatuur’ toegekend.

2.4.2. Naar appellant terecht heeft betoogd wijkt genoemde functie af van die in het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” van de gemeente Woudrichem aan zijn gronden is toegekend, te weten ‘agrarisch gebied met landschapswaarden’, met de nadere aanduiding ‘afwisseling van grienden met open agrarische percelen’. Dit bestemmingsplan is op 7 juli 1998 door gedeputeerde staten goedgekeurd.

2.4.3. De Afdeling stelt voorop dat zij het standpunt van de rechtbank, dat eventuele strijdigheid van het waterbeheersplan met het vigerende planologische regime, wegens het ontbreken van een hiërarchisch verband tussen deze plannen, geen invloed heeft op de rechtmatigheid van het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, in zijn algemeenheid niet deelt. Niet ondenkbaar is, dat een besluit tot goedkeuring door gedeputeerde staten van een waterbeheersplan, dat in ernstige mate afbreuk doet aan de rechten die een betrokkene kan ontlenen aan een door gedeputeerde staten goedgekeurd bestemmingsplan, voor vernietiging in aanmerking komt.

2.4.4. Zo’n situatie doet zich hier echter niet voor.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is met de toekenning van de functie ‘water voor de landnatuur’ in het beheersplan beoogd het streven naar het versterken van de relatie van het waterbeheer met de ruimtelijke ordening te benadrukken en om water als ordenend principe in de ruimtelijke ordening te realiseren, doch een en ander uitdrukkelijk met het huidige grondgebruik als uitgangspunt.

Niet is beoogd een wijziging door te voeren van de bestaande gebruiksfuncties van de gronden. Dit wordt bevestigd door het feit dat het peilbesluit, bij de vaststelling waarvan rekening is gehouden met de in het beheersplan toegekende functies, is vastgesteld overeenkomstig het al jaren ter plaatse gehanteerde streefpeil, waartegen appellant op zichzelf geen bezwaar heeft.

Ter zitting is door gedeputeerde staten en het waterschap voorts naar voren gebracht, dat de bestemming ‘water voor de landnatuur’ niet in de weg staat aan incidentele aanpassing van het waterpeil in het geval van plotseling optredende wateroverlast, noch aan structurele aanpassing van het peilbesluit in het geval van, bijvoorbeeld, bodemdaling.

2.4.5. Dat het beheersplan en het peilbesluit desondanks een beheersregime tot gevolg zullen hebben dat de akkerbouw en griendteelt zal belemmeren, is door appellant niet aangetoond. Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt, dat gedeputeerde staten bij hun besluit tot goedkeuring van het beheersplan zijn belangen niet, dan wel niet voldoende hebben meegewogen.

2.4.6. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat gedeputeerde staten wegens strijd met het recht of het algemeen belang goedkeuring aan het beheersplan hadden moeten onthouden.

De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5.1. Wat betreft het peilbesluit stelt de Afdeling voorop dat het beroep van appellant is gericht tegen het besluit zelf, en niet slechts tegen de motivering daarvan. De rechtbank heeft dit miskend door van dit laatste uit te gaan en te overwegen, dat aldus niet kan worden gezegd dat sprake is van een beroep, gericht tegen een op rechtsgevolg gericht (onderdeel van een) besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.2. Het hoger beroep is op dit punt dan ook gegrond. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, met verwijzing naar de hiervoor weergegeven overwegingen inzake het beheersplan, het beroep tegen het besluit tot goedkeuring van het peilbesluit alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Gedeputeerde staten dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te

's-Hertogenbosch van 11 december 2001, wat betreft de onbevoegdverklaring om van het beroep van appellant tegen het goedkeuringsbesluit van 29 september 2000 kennis te nemen;

III. verklaart het daartegen bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 678,95, waarvan € 644,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Zijlstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

240.