Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4371

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200202944/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202944/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2001 heeft de gemeenteraad van Bernheze, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 september 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "uitbouw A50".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 april 2002, nr. 787618, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 30 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2002, appellant sub 2 bij brief van 29 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2002, appellanten sub 3 bij brief van 28 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2002, en appellanten sub 4 bij brief van 1 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 27 juni 2002. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 1 augustus 2002.

Bij brief van 18 september 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2002, waar appellant sub 1, in persoon, appellant sub 2, in persoon, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door mr. J.E. Lenglet, appellanten sub 4, vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Bernheze, vertegenwoordigd door K. Hendriks, ambtenaar van de gemeente, en de minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door ing. J.H. Windau, ing. J.J.H. van der Heijden en ing. R.P.A.M. van Kessel, medewerkers van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in het juridisch-planologische kader voor het uitbouwen van de autoweg (N265) tot autosnelweg (A50) ter hoogte van de kernen Heesch en Nistelrode.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellant sub 1 heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover de bestemming “Verkeersdoeleinden” is toegekend aan een deel van zijn gronden. De noodzaak hiertoe is niet aanwezig nu verweerder aangeeft dat een geluidsscherm in plaats van een geluidswal ter plekke zal worden opgericht.

2.3.1. De gemeenteraad heeft de bestemming “Verkeersdoeleinden” toegekend aan een deel van de gronden van appellant, om de autosnelweg te kunnen aanleggen.

2.3.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder wijst erop dat ter hoogte van de woning van appellant inmiddels is gekozen voor de aanleg van een geluidsscherm van 2,5 meter hoog. Aangezien een geluidsscherm minder ruimte in beslag neemt dan de aanvankelijk voorziene geluidswal zullen de in geding zijnde gronden niet behoeven te worden aangewend ten behoeve van de uitbouw van de A50. In aanvulling hierop stelt verweerder in zijn verweerschrift dat de gronden van appellant niet nodig zijn voor de aanleg van de A50. Hij heeft evenwel in zoverre geen goedkeuring aan het plan onthouden omdat dit gelet op de schaal van de plankaart vrijwel niet mogelijk is.

2.3.3. De Afdeling is van oordeel dat nu verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de mening was toegedaan dat de in geding zijnde gronden niet aangewend behoefden te worden voor de uitbouw van de A50, hij in zoverre niet van de noodzaak van het plan heeft kunnen uitgaan. In de stelling van verweerder dat een onthouding van goedkeuring gelet op de schaal van de plankaart niet mogelijk is, ziet de Afdeling geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Hiertoe overweegt de Afdeling dat verweerder niet heeft onderkend dat ook op een andere wijze goedkeuring aan het in geding zijnde plandeel kan worden onthouden, bijvoorbeeld door dit plandeel te omschrijven.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan op dit punt goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van appellant is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden” voorzover het gronden van appellant betreft. Gelet hierop ziet de Afdeling, nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is en nu niet is gebleken dat hierdoor belangen worden geschaad, tevens aanleiding zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan evengenoemd plandeel.

2.4. Appellant sub 2 heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover de bestemming “Verkeersdoeleinden” is toegekend aan een deel van zijn agrarische gronden. Appellant stelt in zijn bedrijfsbelang te worden geschaad. Ook pleit hij voor een andere ligging van de A50 ter hoogte van zijn gronden.

2.4.1. De gemeenteraad heeft de bestemming “Verkeersdoeleinden” toegekend aan een deel van de gronden van appellant om de autosnelweg te kunnen aanleggen.

2.4.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder voert aan dat de door appellant bepleite verschuiving van de A50 niet haalbaar is. Verder wijst hij op het met het plan gediende maatschappelijke belang. Ook zal met het belang van appellant rekening worden gehouden door in de omgeving vervangende gronden aan te bieden dan wel door appellant volledig schadeloos te stellen.

2.4.3. Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat het plan het bedrijfsbelang van appellant schaadt. Verweerder heeft voorts gesteld dat vervangende gronden zullen worden aangeboden of dat, zo dit niet lukt, appellant financieel schadeloos gesteld zal worden. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de gevolgen voor de bedrijfsvoering wel ernstig zijn maar dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een groter gewicht toekomt aan het met het plan gediende maatschappelijk belang, de ombouw van autoweg naar autosnelweg, dan aan het belang van appellant.

Wat betreft de stelling van appellant dat een andere ligging van de A50 ter hoogte van zijn gronden een beter alternatief is, overweegt de Afdeling dat blijkens de stukken de bepleite verschuiving van de weg in westelijke richting niet mogelijk is. Bij een dergelijke verschuiving kan niet voldaan worden aan de in de Richtlijnen Ontwerp Autosnelwegen opgenomen normen wat betreft snelwegen.

2.4.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Appellanten sub 3 en 4 hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover het de aanleg van een ongelijkvloerse aansluiting van de Noorderbaan op de A50 mogelijk maakt. Hiertoe voeren zij aan dat zij visuele hinder van het plan zullen ondervinden. Ook betogen zij dat de zichtbaarheid van het bedrijfsterrein teloorgaat en de ontsluiting van het bedrijventerrein problematisch zal worden. Ten slotte voeren zij aan dat er onvoldoende onderzoek is verricht naar alternatieven. In dit verband wijzen zij erop dat de financiële ramingen op basis waarvan is gekozen voor de ongelijkvloerse aansluiting geen deel uit maken van het plan.

2.5.1. De gemeenteraad heeft de bestemming “Verkeersdoeleinden” toegekend aan de gronden ten noorden van het bedrijventerrein waarop de bedrijven van appellanten zijn gesitueerd. Op deze gronden zal een ongelijkvloerse aansluiting van de Noorderbaan op de A50 worden aangelegd. Op basis van een variantenonderzoek verricht door het bureau [onderzoeksbureau] en een memo van 31 januari 2000 van Rijkswaterstaat over de kosten verbonden aan de diverse varianten is gekozen voor een dergelijke aansluiting.

2.5.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij is van mening dat de bereikbaarheid van het bedrijventerrein niet ernstig zal verminderen. Wat betreft de zichtbaarheid vanaf de weg is verweerder de mening toegedaan dat niet aannemelijk is gemaakt dat de bedrijfsvoering van de bedrijven op het terrein afhankelijk is van de ligging aan de A50. Verweerder stelt vervolgens dat het plan weliswaar visuele hinder tot gevolg heeft maar dat aan het met het plan gediende maatschappelijk belang een groter gewicht toekomt dan aan het belang van appellanten. Ten slotte meent verweerder dat de gevolgde procedure bij de totstandkoming en goedkeuring van het plan zorgvuldig is geweest. Verweerder merkt in dit verband op dat hij kennis heeft genomen van het memo van Rijkswaterstaat.

2.5.3. Het bedrijventerrein wordt thans aan de zuidzijde van het terrein op een weg gelegen op het bedrijventerrein ontsloten en aan de noordzijde van het terrein rechtstreeks op de Noorderbaan. Ten gevolge van de aanleg van de ongelijkvloerse aansluiting zal een hoogteverschil tussen het bedrijventerrein en de Noorderbaan ontstaan en zal in de ontsluitingsweg daar een scherpere bocht komen. Deze wijze van ontsluiten is voor met name vrachtverkeer minder eenvoudig maar niet onmogelijk. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van een sterk verminderde bereikbaarheid van het bedrijventerrein geen sprake zal zijn.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat de bedrijfsvoering van appellanten afhankelijk is van een goed zichtbare ligging aan de weg. In dit verband merkt de Afdeling op dat het een lokaal bedrijventerrein betreft en dat de bedrijven van appellanten reeds voor de aanleg van de autoweg ter plekke gevestigd waren.

Verweerder heeft verder aangegeven dat het plan visuele hinder tot gevolg zal hebben. De Afdeling acht deze visuele hinder niet zodanig dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een groter gewicht toekomt aan het met het plan gediende maatschappelijk belang dan aan het belang van appellanten. Hierbij heeft de Afdeling is aanmerking genomen dat blijkens de stukken de ongelijkvloerse aansluiting in noordelijke richting is verschoven om de visuele hinder die het plan tot gevolg heeft, zoveel mogelijk te beperken. De Afdeling heeft hierbij verder in aanmerking genomen dat tussen de grens van het bedrijventerrein en het aan te leggen talud van maximaal 3 meter hoog een afstand van 30 meter in acht zal worden genomen.

Ten slotte overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich, mede gelet op het hiervoor overwogene, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Overigens merkt de Afdeling op dat niet gebleken is dat het door appellanten bepleite tracé lagere kosten met zich meebrengt dan het door de gemeenteraad gekozen tracé. Voorts merkt de Afdeling op dat niet is gebleken dat de gevolgde procedure bij de totstandkoming en goedkeuring van het plan onzorgvuldig is geweest. In dit verband wijst de Afdeling erop dat de onderzoeken op basis waarvan de gemeenteraad voor het tracé heeft gekozen bij de besluitvorming over het tracé zijn betrokken en dat appellanten daarvan kennis hebben kunnen nemen.

2.5.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Ten aanzien van appellant sub 1 is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van appellanten sub 2, 3 en 4 bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 1 gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 23 april 2002, nr. 787618, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden” voorzover het gronden van appellant sub 1 betreft;

III. verklaart de beroepen van appellanten sub 2, 3 en 4 ongegrond;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant sub 1 het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

234-316.