Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200200158/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200158/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Betonmortelcentrale Flevoland B.V.”, gevestigd te Lelystad,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2001 heeft de gemeenteraad van Dronten, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 april 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Ecu Dronten".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 december 2001, kenmerk ROV/01.092343/C, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 9 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 april 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 juni 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.G. Vuuregge, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. De raad van de gemeente Dronten is met voorafgaand bericht niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de ontwikkeling van het terrein “Ecu” voor kleinschalige bedrijven met bedrijfswoningen. Het plangebied ligt in het verlengde van de Arnoldusgulden, ten noorden van het volkstuinencomplex aan de westzijde van de Lage Vaart in Dronten.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte het plan heeft goedgekeurd. Naar haar mening worden de gebruiksmogelijkheden van haar bedrijfsvestiging in Dronten op onaanvaardbare wijze beperkt omdat het plan woningbouw binnen de geluidszone van de betonmortelcentrale mogelijk maakt. Appellante betoogt dat in het plan een reguliere geluidszone van 50 dB(A) behoort te worden opgenomen ter vervanging van de in 1993 vastgestelde zone van rechtswege.

2.4. De gemeenteraad stelt dat de contour van de van rechtswege geldende geluidszone van 50 dB(A) vanwege de betonmortelcentrale door het plangebied loopt. Verweerder heeft bij besluit van 22 mei 2000 een hogere waarde van 55 dB(A) vastgesteld vanwege de betonmortelcentrale voor woon-werkeenheden op het bedrijventerrein Ecu.

Wat betreft de woningbouw is de gemeenteraad van mening dat het plan voldoende waarborgt dat deze slechts kan plaats hebben indien dit gezien de milieuhinder en de aard en omvang van nabij gelegen bedrijven toelaatbaar is.

2.5. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd.

Hij heeft het standpunt van de gemeenteraad onderschreven.

Ten aanzien van de afstand van 300 meter die ingevolge de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” in beginsel tussen de betonmortelcentrale en de geluidsgevoelige objecten dient te worden aangehouden, heeft verweerder gesteld dat vanwege de hogere grenswaarde aan de wettelijke eisen ten aanzien van geluid wordt voldaan zodat in dit geval geen reden bestond om aan die indicatieve afstand vast te houden.

2.6. Bij uitspraak van heden inzake no. 200202008/1 heeft de Afdeling het beroep van appellante tegen het besluit van verweerder van 26 maart 2002, kenmerk BACO/02.093278/L, inhoudende ongegrondverklaring van appellantes bezwaren tegen zijn beslissing tot vaststelling van een ten hoogste toelaatbare waarde voor de geluidbelasting vanwege een industrieterrein, gegrond verklaard. De Afdeling heeft hiertoe onder meer overwogen dat de van rechtswege geldende geluidszone samenvalt met de grens van het terrein van de betonmortelcentrale.

2.6.1. Voor de onderhavige zaak brengt de aangehaalde uitspraak mee dat de in het plan voorziene woningbouw in zijn geheel buiten de van rechtswege geldende 50 dB(A)-geluidszone ligt. Derhalve kon verweerder geen hogere grenswaarde voor de geluidbelasting vanwege de betonmortelcentrale vaststellen ten behoeve van de woningen waarin het plan voorziet.

2.6.2. Ingevolge de voorschriften bij de op 13 maart 1998 verleende milieuvergunning, voor zover hier van belang, mag het equivalente geluidsniveau, veroorzaakt door de in de betonmortelcentrale aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden, ter plaatse van de zonegrens, aangegeven in bijlage 2 van de vergunning, niet meer bedragen dan 50 dB(A).

2.6.3. Vast staat dat de 50 dB(A)-contour, behorende bij dit vergunde equivalente geluidsniveau, door het plangebied loopt. Voorts staat vast dat het plan de bouw van bedrijfswoningen binnen deze contour mogelijk maakt. De Afdeling overweegt dat verweerder, gelet op het onder 2.2. vermelde toetsingskader, dient te beoordelen of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Bij deze beoordeling dient in dit geval onder meer de vraag te worden betrokken of een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd voor de woningen binnen de 50 dB(A)-contour. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder bij deze beoordeling uitsluitend getoetst aan de vastgestelde hogere grenswaarde. Nu verweerder deze hogere grenswaarde niet kon vaststellen, komt hieraan geen betekenis toe en dient verweerder een zelfstandige afweging inzake het woon- en leefklimaat te maken. In verband hiermee is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Flevoland van 17 december 2001, kenmerk ROV/01.092343/C;

III. gelast dat de provincie Flevoland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Kooijman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

177-400.