Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4362

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200203518/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203518/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 6 juni 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) geweigerd appellant een vergunning ingevolge de Monumentenewt 1988 te verlenen voor het vervangen van ramen in de voorgevel van zijn woning aan de Nieuwegracht te Utrecht.

Bij besluit van 19 juli 2000 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 augustus 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W.J. Haeser, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door H.P. de Keijzer, J.M. van der Hoeven en Z. Leijen, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op basis van de adviezen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Commissie Welstand en Monumenten van de gemeente Utrecht heeft het college in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de cultuurhistorische waarde van de gevel door de ingrepen verloren is gegaan. Evenals de rechtbank neemt ook de Afdeling daarbij mede in aanmerking dat appellant tegenover deze adviezen uitsluitend zijn eigen oordeel en niet een tegenrapport van een ter zake deskundige persoon of instantie heeft gesteld.

Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt overwogen dat appellant hetgeen het college ter weerlegging hiervan ter zitting heeft gesteld, inhoudend dat de situatie waarin zich de door appellant genoemde panden bevinden, niet rechtens vergelijkbaar is met die van het in geding zijnde monument, niet heeft weersproken.

2.2. Appellant heeft nog aangevoerd dat de adviezen, waarop het college zijn besluit heeft gebaseerd, onverlet laten dat het college een redelijke afweging van de belangen van het monument tegen die van appellant niet achterwege had mogen laten.

2.3. Dit betoog faalt. Door zonder vergunning aan te vragen over te gaan tot uitvoering van de wijzigingen aan de ramen in de voorgevel heeft appellant zichzelf de gelegenheid ontnomen in voorafgaand overleg met het college alternatieven voor de thans gekozen oplossing, zoals de mogelijkheid van het aanbrengen van voorzetramen waarop door het college is gewezen, te bespreken.

2.4. Hetgeen appellant verder heeft betoogd vormt een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank heeft aangevoerd en kan dan ook niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank leiden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. M. Vlasblom, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

238.