Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4218

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
10-02-2003
Zaaknummer
200205812/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/105 met annotatie van Hemme Battjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

200205812/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten 1,2,3 en 4]

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 25 oktober 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 18 september 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 25 oktober 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover hier van belang, de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 november 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 november 2002 heeft de minister een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat te

Den Haag, en mr. C.L.M. Meuwese, directeur van Defence for Children International Nederland, en de minister, vertegenwoordigd door

mr. E. Bervoets, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend (Dublin, 15 juni 1990, hierna: de OvD), voor zover thans van belang, heeft elke Lid-Staat het recht om een door een vreemdeling bij hem ingediend asielverzoek te behandelen, ook al is hij op grond van de in deze overeenkomst vastgestelde criteria daartoe niet verplicht, op voorwaarde dat de asielzoeker daarmee instemt.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

2.2. Indien een aanvraag, als bedoeld in voormeld artikel 4:6 van de Awb, wordt ingediend, ertoe strekkende dat de minister terugkomt van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, berust bij de minister de bevoegdheid, als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, bij de aanwending waarvan artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 mede wordt betrokken. Komt de minister tot het oordeel dat er geen termen zijn het verzoek in te willigen, dan verzet het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 6:7 van die wet, zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen dat besluit wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit.

De door appellanten ingestelde beroepen konden dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na de eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluiten van 10 januari 2000, waarbij door of namens appellanten ingediende aanvragen om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk zijn verklaard, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.

2.3. In de grieven 1, 2 en 4, in onderlinge samenhang bezien, en de daarop ter zitting gegeven nadere toelichting, hebben appellanten zich, voorzover hier van belang, op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht met toepassing van artikel 4:6 van de Awb hun aanvragen heeft afgewezen, aangezien volgens hen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van dat artikel. Zij hebben daartoe betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat appellanten in 2000 alleen zijn achtergebleven nadat hun moeder tezamen met twee broers en een zus is overgedragen aan Duitsland en hun vader met onbekende bestemming is vertrokken, een ontwikkeling die appellanten als zeer ingrijpend hebben ervaren. Voorts heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de minister terecht de gevolgen van de keuze om zich te onttrekken aan overdracht aan Duitsland voor hun rekening en risico heeft geacht, nu deze keuze niet door hen zelf maar door hun ouders is gemaakt, aldus appellanten.

2.4. De grieven slagen in zoverre. De overdracht van de moeder en twee broers en een zus van appellanten aan Duitsland en het met onbekende bestemming vertrekken van hun vader zijn nieuwe, want na de eerdere afwijzende beschikkingen opgekomen, omstandigheden. Het moet er voor worden gehouden dat tijdens de eerste asielprocedure tot begin 2000 het gezin Ekinci als eenheid optrad en is bejegend en dat de beslissingen over de te volgen gedragslijn binnen het gezin door de ouders werden genomen. Nadat de moeder met drie van de kinderen op 23 mei 2000 aan Duitsland is overgedragen en, naar door de minister niet bestreden is, zeer kort daarna naar Turkije is uitgezet - haar verblijfplaats is appellanten, naar zij stellen, onbekend - en de vader appellanten op 21 juni 2000 heeft achtergelaten door met onbekende bestemming te vertrekken, was die eenheid verbroken en waren appellanten - te dien tijde op de oudste na minderjarig - aan zichzelf overgelaten. Met deze situatie, die het gevolg was van beslissingen waarvoor de ouders van appellanten verantwoordelijk waren, zullen appellanten zich in Duitsland opnieuw geconfronteerd zien, nu overdracht aan Duitsland niet zal leiden tot hereniging van het gezin.

De Afdeling is van oordeel dat de ontwikkelingen sedert mei 2000 ten opzichte van de situatie ten tijde van de eerste asielprocedure als veranderde omstandigheden moeten worden aangemerkt, waarvan het belang voor de toepassing van artikel 3, vierde lid, van de OvD niet op voorhand kan worden ontkend. Dit betekent dat de minister ten onrechte onder verwijzing naar de afwijzende beschikkingen van 10 januari 2000 betreffende het gezin, bestaande uit vader, moeder en acht kinderen, de aanvragen van appellanten heeft afgewezen. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

2.5. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen overigens tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd geen bespreking.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen alsnog gegrond verklaren. De bestreden besluiten komen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking nu deze niet zijn voorzien van een deugdelijke motivering omtrent de toepasselijkheid van artikel 4:6 van de Awb. De minister dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle van 25 oktober 2002 in zaak nr. AWB 02/73718, 02/73735, 02/73731 en 02/73723;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 18 september 2002, kenmerk 9904.03.2001, 9904.03.2002, 0209.15.8002 en 0209.15.8003;

V. draagt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op met inachtneming van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen;

VI. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2254,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer).

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

15-345.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,

Raad

van State

200205812/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appelant 1, 2, 3 en 4]

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 25 oktober 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 18 september 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 25 oktober 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover hier van belang, de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 november 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 november 2002 heeft de minister een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat te Den Haag, en mr. C.L.M. Meuwese, directeur van Defence for Children International Nederland, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E. Bervoets, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

3. Overwegingen

3.1. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend (Dublin, 15 juni 1990, hierna: de OvD), voor zover thans van belang, heeft elke Lid-Staat het recht om een door een vreemdeling bij hem ingediend asielverzoek te behandelen, ook al is hij op grond van de in deze overeenkomst vastgestelde criteria daartoe niet verplicht, op voorwaarde dat de asielzoeker daarmee instemt.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

3.2. Indien een aanvraag, als bedoeld in voormeld artikel 4:6 van de Awb, wordt ingediend, ertoe strekkende dat de minister terugkomt van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, berust bij de minister de bevoegdheid, als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, bij de aanwending waarvan artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 mede wordt betrokken. Komt de minister tot het oordeel dat er geen termen zijn het verzoek in te willigen, dan verzet het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 6:7 van die wet, zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen dat besluit wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit.

De door appellanten ingestelde beroepen konden dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na de eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluiten van 10 januari 2000, waarbij door of namens appellanten ingediende aanvragen om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk zijn verklaard, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.

3.3. In de grieven 1, 2 en 4, in onderlinge samenhang bezien, en de daarop ter zitting gegeven nadere toelichting, hebben appellanten zich, voorzover hier van belang, op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht met toepassing van artikel 4:6 van de Awb hun aanvragen heeft afgewezen, aangezien volgens hen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van dat artikel. Zij hebben daartoe betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat appellanten in 2000 alleen zijn achtergebleven nadat hun moeder tezamen met twee broers en een zus is overgedragen aan Duitsland en hun vader met onbekende bestemming is vertrokken, een ontwikkeling die appellanten als zeer ingrijpend hebben ervaren. Voorts heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de minister terecht de gevolgen van de keuze om zich te onttrekken aan overdracht aan Duitsland voor hun rekening en risico heeft geacht, nu deze keuze niet door hen zelf maar door hun ouders is gemaakt, aldus appellanten.

3.4. De grieven slagen in zoverre. De overdracht van de moeder en twee broers en een zus van appellanten aan Duitsland en het met onbekende bestemming vertrekken van hun vader zijn nieuwe, want na de eerdere afwijzende beschikkingen opgekomen, omstandigheden. Het moet er voor worden gehouden dat tijdens de eerste asielprocedure tot begin 2000 het gezin Ekinci als eenheid optrad en is bejegend en dat de beslissingen over de te volgen gedragslijn binnen het gezin door de ouders werden genomen. Nadat de moeder met drie van de kinderen op 23 mei 2000 aan Duitsland is overgedragen en, naar door de minister niet bestreden is, zeer kort daarna naar Turkije is uitgezet - haar verblijfplaats is appellanten, naar zij stellen, onbekend - en de vader appellanten op 21 juni 2000 heeft achtergelaten door met onbekende bestemming te vertrekken, was die eenheid verbroken en waren appellanten - te dien tijde op de oudste na minderjarig - aan zichzelf overgelaten. Met deze situatie, die het gevolg was van beslissingen waarvoor de ouders van appellanten verantwoordelijk waren, zullen appellanten zich in Duitsland opnieuw geconfronteerd zien, nu overdracht aan Duitsland niet zal leiden tot hereniging van het gezin.

De Afdeling is van oordeel dat de ontwikkelingen sedert mei 2000 ten opzichte van de situatie ten tijde van de eerste asielprocedure als veranderde omstandigheden moeten worden aangemerkt, waarvan het belang voor de toepassing van artikel 3, vierde lid, van de OvD niet op voorhand kan worden ontkend. Dit betekent dat de minister ten onrechte onder verwijzing naar de afwijzende beschikkingen van 10 januari 2000 betreffende het gezin, bestaande uit vader, moeder en acht kinderen, de aanvragen van appellanten heeft afgewezen. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

3.5. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen overigens tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd geen bespreking.

3.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen alsnog gegrond verklaren. De bestreden besluiten komen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking nu deze niet zijn voorzien van een deugdelijke motivering omtrent de toepasselijkheid van artikel 4:6 van de Awb. De minister dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

3.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

VII. verklaart het hoger beroep gegrond;

VIII. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle van 25 oktober 2002 in zaak nr. AWB 02/73718, 02/73735, 02/73731 en 02/73723;

IX. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

X. vernietigt de besluiten van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 18 september 2002, kenmerk 9904.03.2001, 9904.03.2002, 0209.15.8002 en 0209.15.8003;

XI. draagt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op met inachtneming van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen;

XII. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2254,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091 onder vermelding van het zaaknummer).

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

15-345.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,