Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3964

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200203853/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vaststelling van het rekenvermogen door de inspecteur is voor de staatssecretaris in beginsel bindend.

Opnieuw vaststelling huursubsidie over de tijdvakken 1997/1998 en 1998/1999 (nihil) en terugvordering huursubsidie op de grond dat uit informatie van de belastingdienst was gebleken dat het rekenvermogen van betrokkene de in art. 15.1.a Huursubsidiewet (Hsw) genoemde grens overschreed. De vaststelling van het rekenvermogen door de inspecteur is voor de staatssecretaris in beginsel bindend. De staatssecretaris pleegt van zijn bevoegdheid tot nadere vaststelling steeds gebruik te maken, tenzij zich een geval voordoet als bedoeld in art. 26 Hsw en als de onverkorte toepassing van de Hsw tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. Dit beleid wordt niet onredelijk geacht.

Ongegrond hoger beroep.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

mr. B.J. van Ettekoven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203853/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 6 juni 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 31 januari 2000 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de staatssecretaris) de huursubsidie over de tijdvakken 1997/1998 en 1998/1999 opnieuw vastgesteld op nihil en de reeds uitgekeerde huursubsidie teruggevorderd tot een bedrag van ƒ 2.328,00 respectievelijk ƒ 2.268,00.

Bij besluit van 12 april 2001 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 juni 2002, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 16 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 juli 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 september 2002 heeft de staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.C.A. Stevens, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid aanhef en onder a, van de Huursubsidiewet (hierna de Hsw) – voorzover hier van belang - wordt geen huursubsidie toegekend als het rekenvermogen meer bedraagt dan ƒ 38.500 bij een eenpersoonshuishouden.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Hsw kan de staatssecretaris de toekenning herzien als huursubsidie is toegekend in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen, dan wel indien artikel 33, tweede lid, niet wordt nageleefd.

Ingevolge het derde lid kan, als het eerste lid toepassing vindt, de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd, of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder. De staatssecretaris stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

2.2. De staatssecretaris heeft de huursubsidie over de in geding zijnde tijdvakken opnieuw vastgesteld, nadat hem uit informatie van de belastingdienst was gebleken dat het rekenvermogen van appellante de in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hsw genoemde grens overschreed.

2.2.1. De vaststelling van het rekenvermogen door de inspecteur is voor de staatssecretaris in beginsel bindend. De staatssecretaris pleegt van zijn bevoegdheid tot nadere vaststelling steeds gebruik te maken, tenzij zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 26 van de Hsw en als de onverkorte toepassing van de Hsw tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Nu niet is gebleken van omstandigheden als bedoeld in artikel 26 van de Hsw en vast staat dat tegen de vaststelling door de inspecteur van het rekenvermogen geen beroep is ingesteld, moet worden aangenomen dat de staatssecretaris in het kader van de herziening van de toekenning terecht is uitgegaan van dat rekenvermogen.

2.2.2. Voorzover appellante heeft gesteld dat door de inspecteur procedurele fouten zijn gemaakt – wat overigens ook zij van de juistheid van die stelling – dient dit betoog in het kader van dit geschil buiten beschouwing te blijven, omdat in het kader van deze procedure niet het belastingbesluit, doch het herzieningsbesluit ter toetsing staat.

2.3. Gelet hierop valt niet in te zien dat de staatssecretaris geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot herziening ingevolge artikel 36, eerste lid.

2.4. Evenmin is gebleken van omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat de staatssecretaris bij afweging van betrokken belangen geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot terugvordering van ten onrechte ontvangen huursubsidie als bedoeld in artikel 36, derde lid.

2.5. Appellante herhaalt in hoger beroep dat de staatssecretaris meer dan een jaar nodig heeft gehad voor het nemen van een besluit op haar bezwaar. Dit steekt – zo stelt appellante – te meer daar burgers in hun contact met de overheid bij overschrijding van termijnen hiervan meteen en onverbiddelijk het slachtoffer worden.

2.5.1. Ook dit betoog faalt, nu geen wettelijk voorschrift valt aan te wijzen dat bepaalt dat in een zodanig geval het desbetreffende besluit niet in stand kan blijven. Daarbij is van gewicht dat in dit geding de inhoud van het besluit en niet de ontijdigheid ervan ter toetsing staat. Had appellante dit gewild, dan had zij dit kunnen doen via artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit heeft appellante nagelaten.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Sparreboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

195-209.