Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3961

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200105211/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200105211/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vado Properties Maastricht bv, gevestigd te Maastricht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Palace bv, gevestigd te Maastricht,

3. [appellant], wonend te Maastricht,

4. Actiecomité Rechtstraat, gevestigd te Maastricht,

appellanten,

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2001 heeft de gemeenteraad van Maastricht, op voorstel van burgemeester en wethouders van 3 januari 2001, het bestemmingsplan "St. Maartenspoort/Wyck" vastgesteld.

Verweerders hebben bij hun besluit van 21 augustus 2001, kenmerk 2001/36636, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 22 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2001, appellante sub 2 bij brief van 22 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2001, appellant sub 3 bij brief van 19 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2001, en appellant sub 4 bij brief van 22 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2001, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 27 november 2001. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 27 november 2001.

Bij brief van 19 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 augustus 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van burgemeester en wethouders van Maastricht. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2002, waar appellante sub 1 en appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, appellant sub 3 in persoon, bijgestaan door

[gemachtigde], appellant sub 4, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. G.L. Kluter, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Maastricht, vertegenwoordigd door J.H.A. Jans, ambtenaar der gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.2. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Maas, het spooremplacement en het Céramiqueterrein. Het plan bevat een actualisering van het bestaande planologisch regime voor het gebied.

Verweerders hebben bij hun bestreden besluit het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.3. Appellante sub 1 kan zich niet verenigen met het besluit van verweerders, voor zover zij daarbij goedkeuring verleend hebben aan de bestemming "Centrum Cc" en de aanduiding "Wijzigingsgebied" van het perceel gelegen op de hoek van de Spoorweglaan en de Akerstraat.

Appellante wil het ter plaatse aanwezige pand slopen en een kantoorpand met vijf bouwlagen en setback realiseren. Tevens voorzien haar plannen in een ondergrondse parkeergarage en vestiging van detailhandel op de begane grond. Appellante kan zich er niet mee verenigen dat zij haar plan pas kan verwezenlijken nadat burgemeester en wethouders gebruik hebben gemaakt van de in artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Zij is van mening dat haar een rechtstreekse bouwtitel dient te worden verleend en dat de toekenning van een wijzigingsbevoegdheid rechtsonzekerheid creëert.

2.3.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat herontwikkeling van de locatie conform de gestelde randvoorwaarden zowel in functioneel als in stedenbouwkundig opzicht een aanzienlijke verandering ten opzichte van de huidige situatie betekent. Gezien de ligging van de locatie acht de gemeenteraad het van groot belang dat een zorgvuldige invulling en inpassing van het plan plaatsvindt. Daarbij heeft de gemeenteraad betrokken dat nu nog geen sprake is van een concreet bouwplan en nog niet is voldaan aan de milieuvereisten (onder andere de externe veiligheid in verband met de aanwezigheid van het spoorwegemplacement in de directe omgeving), de voorheen geldende bestemming wordt gehandhaafd met opname van een wijzigingsbevoegdheid.

Verweerders achten het standpunt van de gemeenteraad niet onredelijk.

Hierbij hebben verweerders opgemerkt dat zij het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid niet in strijd achten met artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gezien de verandering ten opzichte van de huidige situatie (van twee naar vijf bouwlagen).

Voorts hebben verweerders in hun verweerschrift alsmede ter zitting opgemerkt dat in de "Handleiding bestemmingsplannen c.a.", waarin wordt aangegeven hoe het provinciebestuur gemeentelijke bestemmingsplannen toetst, en in het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg" staat aangegeven dat bij ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Indien de (externe) veiligheid niet is gewaarborgd dan onthouden verweerders goedkeuring aan het plan. Indien in het plan een directe bouwtitel was opgenomen, dan hadden verweerders daaraan dan ook goedkeuring onthouden wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Onder deze omstandigheden hebben verweerders zich op het standpunt kunnen stellen dat het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Dat er inmiddels, zoals appellante ter zitting heeft betoogd, uitkomsten bekend zouden zijn van een vanwege het gemeentebestuur uitgevoerd onderzoek naar de externe veiligheid in relatie tot het spoorwegemplacement, kan niet tot een ander oordeel leiden.

In hetgeen appellante verder heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.3.2. Voorts kan appellante zich er niet mee verenigen dat verweerders goedkeuring hebben verleend aan de in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen maximale hoogte van het te realiseren gebouw. Ingevolge artikel 4, vijfde lid, en onder a, van de planvoorschriften mag de goothoogte van het te realiseren gebouw maximaal 15 meter bedragen, terwijl de totale bouwhoogte bij realisering van de setback(s) maximaal 18 meter mag zijn.

Appellante stelt dat zij op basis van dit voorschrift nimmer de door haar gewenste vijf bouwlagen plus één setback kan realiseren. Volgens appellante dient bij moderne kantoorgebouwen te worden uitgegaan van een hoogte van 3,50 meter per verdieping.

Appellante beroept zich op een toezegging van burgemeester en wethouders van Maastricht, zoals neergelegd in hun brief van 11 februari 2000, waarin deze met betrekking tot de bouwmassa hebben gesteld dat een maximale hoogte van vijf bouwlagen plus één setback geldt, zonder dat de maximale hoogte is aangegeven.

2.3.3. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het invullen van de stedenbouwkundige randvoorwaarden rekening is gehouden met de diverse bouwhoogten in de omgeving en mede aan de hand van de huidige bouwmogelijkheden op grond van de bouwverordening is uitgegaan van een goothoogte van 15 meter, zijnde vijf bouwlagen van 3 meter plus een setback, waardoor de totale bouwhoogte 18 meter bedraagt. De gemeenteraad acht deze hoogte uit stedenbouwkundig oogpunt het maximaal toelaatbare. Hierbij heeft de gemeenteraad nog opgemerkt dat het uit stedenbouwkundig oogpunt niet zozeer het aantal bouwlagen maar de bouwmassa- danwel de hoogte van belang is.

Verweerders stemmen in met het standpunt van de gemeenteraad. Hieraan hebben zij toegevoegd, dat naar hun mening de brief van 11 februari 2000 niet zodanig geformuleerd is dat appellante er zonder meer op kon vertrouwen dat (alle) door haar gewenste bouwplannen kunnen worden gerealiseerd. Naar de mening van verweerders bestond voor de gemeenteraad ruimte om – afhankelijk van de concrete bouwplannen – een nadere belangenafweging te laten plaatsvinden. Deze belangenafweging heeft er uiteindelijk toe geleid dat de gemeenteraad van mening is dat de bouwmassa in overeenstemming moet zijn met de diverse bouwhoogten in de omgeving en dat de bouwhoogte aldus maximaal 15 meter respectievelijk 18 meter bij realisering van de setback mag zijn. Verweerders hebben zich hierbij aangesloten.

2.3.4. Appellante wil een gebouw realiseren van vijf bouwlagen, waarvan ieder bouwlaag een hoogte van 3,5 meter heeft, alsmede een setback van

3,5 meter hoogte.

Gelet op artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften kan appellante, ook indien gebruik wordt gemaakt van de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13, onder a, sub 1, om de maximummaten met 10% te overschrijden, het door haar gewenste gebouw niet realiseren.

Van de zijde van het gemeentebestuur is bij brief van 7 oktober 2002, ingekomen bij de Raad van State op 22 oktober 2002, alsmede ter zitting de noodzaak tot beperking van de bouwmassa uiteengezet. Het gemeentebestuur heeft benadrukt dat het streven er op is gericht een bouwmassa te realiseren die zich voegt in het beeld van de Spoorweglaan en de Akerstraat. Verweerders hebben dit standpunt onderschreven.

Naar het oordeel van de Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, voldoende aannemelijk gemaakt dat de door de gemeenteraad gekozen maximale bouwmassa aansluit bij de bestaande bebouwing in de nabije omgeving en dat een overschrijding van de toelaatbaar geachte bouwmassa, zoals door appellante gewenst, in visueel opzicht tot een aantasting van dit bebouwingsbeeld zal leiden. Anders dan door appellante is betoogd, is de Afdeling uit het onderzoek ter zitting verder gebleken dat de aan de overzijde op te richten toren van 50 meter hoog in visueel opzicht geen relatie heeft met de bestaande en door appellante mogelijk nieuw op te richten bebouwing aan de Spoorweglaan en de Akerstraat, welke bebouwing een afgerond geheel vormt. Er is dan ook geen aanleiding om de raad niet te volgen in het standpunt dat de hoogte van de toren niet als referentiekader voor de door appellante gewenste nieuwbouw kan dienen.

Verweerders hebben het plan dan ook op dit punt in overeenstemming kunnen achten met een goede ruimtelijke ordening.

2.3.5. Voor zover appellante er op heeft gewezen dat bij moderne kantoorgebouwen uitgegaan dient te worden van een bouwlaag met een hoogte van 3,5 meter, overweegt de Afdeling dat de planvoorschriften, gelet op de begripsomschrijving in artikel 1 van het begrip "bouwlaag", hieraan niet in de weg staan.

2.3.6. Ten aanzien van het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in vijf bouwlagen van de door haar gewenste hoogte van 3,5 meter per bouwlaag zou voorzien. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerders bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.4. Appellante sub 2 exploiteert een bioscoop aan de Wycker Brugstraat 1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Gemengd gebied" met de aanduiding "Uitwerkingsgebied" toegekend, waaraan verweerders goedkeuring hebben verleend.

Appellante is van mening dat de aanduiding "Uitwerkingsgebied" leidt tot rechtsonzekerheid, aangezien aan de uitwerkingsplicht geen fatale termijn is verbonden, hetgeen nog eens wordt versterkt doordat de gemeente een voorkeursrecht in het kader van de Wet voorkeursrecht gemeenten op het pand heeft gevestigd.

2.4.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het stedenbouwkundig van groot belang is dat de gehele locatie gelijktijdig en samenhangend ontwikkeld wordt. De hoofdlijnen zijn weliswaar bekend, maar de nadere uitwerking en detaillering van de planontwikkeling dient nog plaats te vinden. Ook vanwege de parkeergarage is het noodzakelijk om de gehele locatie gelijktijdig te ontwikkelen, omdat deze gepland is op alle percelen aan de Lage Barakken en de Bourgognestraat tot aan de nieuwe doorgang, welke percelen nog aan verschillende eigenaren toebehoren.

Om te voorkomen dat er een versnipperde en onsamenhangende ontwikkeling van de locatie plaatsvindt, heeft de gemeenteraad er voor gekozen geen rechtstreekse bouwtitel op te nemen maar een uitwerkingsbevoegdheid.

2.4.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat, tenzij de gemeenteraad zich daarbij een van deze bevoegdheden zelf heeft voorbehouden, burgemeester en wethouders volgens bij het plan te geven regelen het plan moeten uitwerken.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 dat een bestemmingsplan op zodanige wijze de doelstellingen voor het uit te werken plan aangeeft, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat plangebied.

In artikel 5, vijfde lid, en onder 1, van de planvoorschriften is bepaald dat burgemeester en wethouders het gebied dat op de bestemmingskaart als uitwerkingsgebied is aangegeven uitwerken, met inachtneming van de volgende regels:

a. afbouwen bouwblok passend binnen karakteristiek van Wyck in 3 lagen plus setback; indien passend binnen het beeld is plaatselijk een extra laag toegestaan; het bouwblok bevat een mix van woningen en mogelijk commerciële functies;

b. voorzien moet worden in bewonersparkeerplaatsen voor auto's en fietsen in combinatie met bezoekersparkeerplaatsen voor auto's en eventueel fietsen;

c. deel van het binnengebied openbaar, met rustig, deels groen karakter met zo mogelijk rol voor restanten oude klooster;

d. doorgangen vanaf de Bourgognestraat, Wycker Grachtstraat en Lage Barakken naar binnenplein;

e. handhaven gevel Palace als geïntegreerd onderdeel van een nieuw, apart herkenbaar gebouw dat qua massa vergelijkbaar is met het thans bestaande gebouw; het gebouw dient zo mogelijk een bijzondere functie te krijgen.

2.4.3. Verweerders zijn van mening dat artikel 5, vijfde lid, van de planvoorschriften aan de wettelijke vereisten zoals aangegeven in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, voldoet. De voorwaarden welke aan deze uitwerkingsplicht zijn verbonden, bieden volgens hen voldoende inzicht in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van de uitwerkingslocatie.

Het standpunt van verweerders komt de Afdeling niet onjuist voor.

Voor zover appellante heeft aangevoerd dat zij het moment van uitwerking van het plan niet kan afdwingen, hebben verweerders terecht opgemerkt dat de wet niet bepaalt binnen welke termijn aan de verplichting tot uitwerking moet worden voldaan, maar dat tegen een weigering om een uitwerkingsplan vast te stellen rechtsmiddelen openstaan.

Voorts heeft appellante aangevoerd dat het plan uitsluitend is opgesteld teneinde het voorkeursrecht op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten te bestendigen.

Verweerders hebben er op gewezen dat de reden voor herziening mede is gelegen in de actualiteit/ouderdom van de voorheen vigerende plannen.

Voorts hebben verweerders terecht opgemerkt dat de stelling van appellante voorbij gaat aan het feit dat het voorkeursrecht onder meer in het leven is geroepen om de in het bestemmingsplan voorgestane ontwikkelingen te kunnen realiseren. Hier hebben verweerders terecht nog aan toegevoegd dat het plan een groter gebied omvat dan uitsluitend deze locatie en dat voor het overige gebied merendeels geen voorkeursrecht geldt, zodat de vermeende relatie niet van toepassing is.

In verband met het vorenstaande hebben verweerders zich op het standpunt kunnen stellen dat het opnemen van de uitwerkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de planvoorschriften, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante voor het overige dienaangaande heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.5. Hetgeen appellant sub 3 in zijn beroepschrift heeft aangevoerd komt in feite neer op hetgeen hij al in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Appellant heeft noch in zijn beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de zienswijze onjuist zou zijn.

Voor zover appellant ter zitting heeft aangevoerd dat hij bezwaren maakt tegen de onteigening van zijn pand aan de Bourgognestraat 28, overweegt de Afdeling dat, hoewel zij begrip heeft voor de sitiuatie waarin appellant verkeert, een eventuele onteigening van dit pand in het kader van deze bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan komen.

2.6. Appellant sub 4 kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming "Centrum A (Ca)" van de Rechtstraat. Appellant vreest dat de karakteristieke bebouwing en het multifunctionele karakter van de straat zullen worden aangetast omdat het plan naar zijn mening te ruime bouw- en gebruiksmogelijkheden biedt.

2.6.1. In het bestemmingsplan is aan de panden in de Rechtstraat overwegend de bestemming "Centrum A (Ca)" toegekend. Ingevolge

artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften dienen onder centrumdoeleinden onder meer te worden verstaan detailhandel en dienstverlening, wonen en aan huis gebonden beroepen, kantoren met en zonder baliefunctie, galeries en ateliers, publiekverzorgende ambachtelijke bedrijvigheid, forumfuncties, horeca, verkeers- en verblijfsdoeleinden, additionele voorzieningen alsmede de instandhouding en bescherming van de op de kaart ruimtelijke en karakteristiek als "Rijksmonument" aangeduide gebouwen en toebehoren alsmede het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek ingevolge de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht. In de tabel in artikel 4, tweede lid, onder 2.2.1., van de planvoorschriften, is nader aangegeven welke functies zijn toegelaten in de bestemming "Centrum A (Ca)".

2.6.2. Verweerders verwachten niet dat de aanduiding "Centrum A (Ca)" tot gevolg zal hebben dat de karakteristieke bebouwing in de Rechtstraat wordt aangetast. Verweerders hebben daarbij overwogen dat veel panden in de Rechtstraat op grond van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) zijn aangewezen als beschermd monument.

Ingevolge artikel 11 van de Monumentenwet is het verboden deze panden te beschadigen of te vernielen dan wel zonder of in afwijking van een vergunning af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen. Ook is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning de panden te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor zij worden ontsierd of in gevaar gebracht.

Daarnaast valt de Rechtstraat in een gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht in de zin van artikel 35 van de Monumentenwet. Ter voldoening aan artikel 36, eerste lid, van de Monumentenwet, zijn in het plan voorschriften opgenomen om het stadsgezicht te beschermen. Op de plankaart "Ruimtelijke en functionele karakteristiek" is de Rechtstraat aangeduid als "Zone beschermd stadsgezicht A". In artikel 3, de algemene beschrijving in hoofdlijnen, wordt de historische en ruimtelijke karakteristiek van zone A omschreven en wordt nader uiteengezet op welke wijze bescherming van deze karakteristiek wordt nagestreefd. Ook in artikel 4, eerste lid, wordt gewezen op het belang van de instandhouding en bescherming van de ruimtelijke en functionele karakteristiek van monumenten en zones die zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht.

Gezien het vorengaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de planvoorschriften voorzien in een toereikende bescherming en dat er geen reden is om aan te nemen dat het historische en authentieke karakter van de Rechtstraat als gevolg van het plan zal worden aangetast. Voorts hebben verweerders terecht geconstateerd dat de gebruiks- en bouwmogelijkheden op basis van het nieuwe planregime niet of nauwelijks afwijken van de gebruiks- en bouwmogelijkheden op basis van het voorgaande planregime voor de Rechtstraat. Nieuwvestiging van detailhandel en dienstverlening, waar de bezwaren van appellant voornamelijk tegen gericht zijn, waren ook onder het vorige bestemmingsplan in de Rechtstraat toegestaan. De toevoeging van de functies galeries en ateliers in de doeleindenomschrijving sluiten aan bij de door appellant gewenste multifunctionaliteit van de Rechtstraat.

2.6.3. Wat betreft de door appellant gevreesde aantasting van het multifunctionele karakter van de Rechtstraat, wijzen verweerders op de algemene beschrijving in hoofdlijnen in artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften. Ingevolge dit artikel is het beleid voor de Rechtstraat erop gericht het bestaande multifunctionele karakter te handhaven en te versterken. Gelet hierop hebben verweerders in redelijkheid het multifunctionele karakter op grond van het plan voldoende gewaarborgd kunnen achten.

Hierbij merkt de Afdeling nog op dat een bestemmingsplan niet dient om concurrentieverhoudingen te regelen. Bestemmingen kunnen op grond van artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening slechts worden gegeven met het oog op een goede ruimtelijke ordening en niet om bepaalde soorten detailhandel in het plangebied te beschermen of te weren. Slechts indien de verwachting bestaat dat de voorzieningenstructuur in het plangebied duurzaam wordt ontwricht, zou voor verweerders aanleiding kunnen bestaan goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.7. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn mitsdien ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

328.