Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3959

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200201825/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming 1
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 29
Wet bodembescherming 37
Wet bodembescherming 38
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/847
JBO 2015/283
JBO 2005/283

Uitspraak

200201825/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2001, kenmerk 57/0374 BWT 1981, hebben verweerders met een saneringsplan ingestemd als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming met betrekking tot de Volgermeerpolder, de Veenderijgracht en delen van de Poppendammerweeren, een deel van de Belmermeer en een deel van het perceel [locatie] (hierna: de Volgermeerpolder en omgeving), onder toevoeging van de wijziging die is opgetreden ten opzichte van de controlezone zoals omschreven in de rapportage van Iwaco “Aanvullend onderzoek begrenzing stort en versmallen controlezone” van 20 december 2000, kenmerk 42047a0, onder de in het besluit genoemde voorwaarden.

Bij besluit van 22 februari 2002, kenmerk 200100270, verzonden op 22 februari 2002, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 juni 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door mr. ing. IJnsen en ing. J.P. van Klaveren, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant meent, kort weergegeven, dat in de Volgermeerpolder en omgeving geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging, zodat geen urgentie bestaat om de bodem te saneren.

2.1.1. De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure slechts bezwaren aan de orde kunnen komen die betrekking hebben op het bestreden besluit.

Dit betekent dat het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 10 november 1999, kenmerk 57/0374 BTW 1981, waarin verweerders op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming hebben vastgesteld dat de bodem ter plaatse van de Volgermeerpolder en omgeving ernstig verontreinigd is en waarin op grond van artikel 37, eerste lid, van de wet is vastgesteld dat sprake is van urgentie om de desbetreffende bodem te saneren en dat binnen vier jaren na het van kracht worden van dit besluit met de sanering moet zijn aangevangen, in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het besluit van 10 november 1999 is onherroepelijk.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming doet degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst van dit voornemen melding bij gedeputeerde staten van de betrokken provincie.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming dient degene die de bodem saneert, de sanering zodanig uit te voeren dat daardoor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, worden behouden of hersteld, tenzij zich omstandigheden voordoen als bedoeld in het derde lid.

Ingevolge het derde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald in welke daarbij aangewezen omstandigheden die verband houden met bijzondere kenmerken van het betrokken geval van verontreiniging, maatregelen kunnen worden genomen, die leiden tot het isoleren en het beheersen van de verontreiniging alsmede tot het controleren van de effecten van het isoleren en het beheersen. Dit artikellid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in werking getreden.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming gaat, indien een geval van ernstige verontreiniging wordt vermoed, de melding als bedoeld in artikel 28 vergezeld van de resultaten van het nader onderzoek alsmede de resultaten van het saneringsonderzoek en van een saneringsplan.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, behoeft het saneringsplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 9 september 1999, E03.96.1046 (Milieu & Recht 2000, nummer 46), leidt het niet in werking getreden zijn van het derde lid van artikel 38 van de Wet bodembescherming er niet toe dat moet worden uitgegaan van een ander stelsel dan neergelegd in de hiervoor vermelde wetsartikelen. Dit stelsel komt er, kort gezegd, op neer dat de sanering van bodemverontreiniging in beginsel dient te zijn gericht op het in artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming omschreven doel, de zogeheten herstelvariant, tenzij sprake is van omstandigheden als bedoeld in het derde lid van artikel 38, zogeheten locatiespecifieke omstandigheden. In het laatstbedoelde geval mag ook worden volstaan met het nemen van maatregelen die leiden tot het isoleren en het beheersen van de verontreiniging alsmede tot het controleren van de effecten van het isoleren en het beheersen, de zogeheten IBC-variant.

Bij de toepassing van de artikelen 39, tweede lid, en 38, eerste lid, komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. In dat kader hebben verweerders de “Circulaire saneringsregeling Wet bodembescherming: beoordeling en afstemming” van 12 januari 1998 gehanteerd.

In artikel 88 van de Wet bodembescherming is onder meer bepaald dat de gemeente Amsterdam wordt gelijkgesteld met de provincie voor de toepassing van de artikelen 27 tot en met 34, 37, artikel 38, vierde en vijfde lid, 39, 40, 42, 43 tot en met 52, 55, 74 tot en met 78, 81, 83 tot en met 86 van deze wet.

2.3. Appellant voert aan dat de door verweerders gekozen eco-variant inhoudt dat de verontreinigde grond enkel met nog meer (zwaar) verontreinigde grond wordt afgedekt. In dat kader voert hij aan dat deze afdeklaag bestaat uit grond afkomstig uit het centrum van Amsterdam, daar waar de Noord-Zuidlijn wordt aangelegd.

2.3.1. Ter zitting hebben verweerders naar voren gebracht dat de steunlaag onder de leeflaag bestaat uit hergebruikte grond. Deze grond is afkomstig uit de randgebieden rondom de Volgermeerpolder.

2.3.2. Allereerst merkt de Afdeling op dat de door verweerders gekozen (IBC-)variant enkel betrekking heeft op de sanering van de Volgermeerpolder. De sanering van de Veenderijgracht en delen van de Poppendammerweeren, een deel van de Belmermeer en een deel van het perceel [locatie] wordt zodanig uitgevoerd dat daardoor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, worden behouden of hersteld.

Uit het eerste deel van het hoofdrapport “Saneringsplan Volgermeerpolder” van 31 juli 2000, kenmerk 41071a0, blijkt dat bij de aanpak van de sanering van de Volgermeerpolder drie elementen centraal staan waaronder het op de verontreinigde grond aanbrengen van een laag aanvulgrond met daarop een steunlaag. Bovenop deze laag komt een waterremmende laag bestaande uit rivierklei of zandbentoniet. De functie van deze laag is het vasthouden van regenwater. Vervolgens wordt een kunststofdoek gelegd dat wortelgroei tegengaat. Ten slotte wordt een leeflaag aangebracht met een uiteindelijke laagdikte van gemiddeld 0,5 meter. Deze laatste laag, zo blijkt uit de stukken, zal bestaan uit schone grond. Onder het kunststofdoek mag de hergebruikte grond, afkomstig uit de randgebieden rondom de Volgermeerpolder, de samenstellingswaarden voor organische en anorganische stoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, sub 1, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewateren-bescherming (hierna: Bouwstoffenbesluit) in samenhang met bijlage 2 bij het Bouwstoffenbesluit niet overschrijden. Voor deze grond zijn geen bijzondere maatregelen nodig om deze te isoleren van hemel-, grond-, of oppervlaktewater.

Anders dan appellant stelt, zo blijkt uit het vorenstaande, wordt de verontreinigde grond niet afgedekt met enkel nog meer verontreinigde grond. Het bezwaar van appellant mist dan ook feitelijke grondslag en treft derhalve geen doel.

2.4. Appellant betoogt, kort weergegeven, dat de in het besluit van 3 juli 2001 voorgestelde wijze waarop de Volgermeerpolder in de toekomst zal worden ingericht niet past binnen het huidige landschap.

2.4.1. De Afdeling stelt vast dat appellant kennelijk in de veronderstelling leeft dat als gevolg van de door verweerders verleende instemming met het saneringsplan de toekomstige bestemming van de onderhavige locatie vaststaat. Deze veronderstelling is onjuist. Niet de door verweerders verleende instemming met het saneringsplan maakt de realisering van de voorgestelde inrichting van de desbetreffende locatie mogelijk. Dit dient, zo is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken, eerst te worden behandeld in een procedure op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De bezwaren van appellant tegen de realisering van het voorstel tot inrichting van het gebied ter plaatse kunnen in die procedure ten volle aan de orde komen. Dat in de considerans van het besluit van 3 juli 2001 een duiding wordt gegeven van de mogelijke wijze waarop de onderhavige locatie in de toekomst zal worden ingericht, doet aan het vorenstaande niets af.

2.5. Appellant voert aan dat de Volgermeer zich inmiddels heeft ontwikkeld tot een waardevol natuurgebied, met een enorme rijkdom aan flora en fauna. Hij stelt dat het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht besteedt aan de bescherming van de ter plaatse voorkomende plant- en diersoorten. Dit geldt tevens voor het mogelijke broei- en brandgevaar bij het niet verwijderen van gekapte houtopstand. Verder heeft appellant bezwaar tegen het ten onrechte gefaseerd laten verlopen van verschillende (vergunning)procedures en het feit dat verweerders ten onrechte geen financiële bijdrage verlenen in de door appellant gemaakte kosten voor juridische bijstand.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat de hiervoor weergegeven beroepsgronden geen betrekking hebben op aspecten die bij de besluitvorming omtrent de instemming met een saneringsplan een rol kunnen spelen.

Deze beroepsgronden falen derhalve.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.C. van Geel, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Geel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003.

125-375.