Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3958

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200201807/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 38
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/285
JBO 2005/285

Uitspraak

200201807/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

appellant, wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2001, kenmerk 57/0374 BWT 1981, hebben verweerders met een saneringsplan ingestemd als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming met betrekking tot de Volgermeerpolder, de Veenderijgracht en delen van de Poppendammerweeren, een deel van de Belmermeer en een deel van het perceel [locatie] te Amsterdam (hierna: Volgermeerpolder en omgeving), onder toevoeging van de wijziging die is opgetreden ten opzichte van de controlezone zoals omschreven in de rapportage van Iwaco “Aanvullend onderzoek begrenzing stort en versmallen controlezone” van 20 december 2000, kenmerk 42047a0, onder de in het besluit genoemde voorwaarden.

Bij besluit van 22 februari 2002, verzonden op 200100284, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 juni 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2002, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. T. Venneman, advocaat te Den Haag, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. ing. M. IJnsen en ing. J.P. van Klaveren, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellant het beroep, voorzover het betreft de gronden inzake de ondervonden geluidsoverlast en het vaststellen van geluidsnormen, waaraan de aanjagers van de transportleidingen behoren te voldoen, ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming dient degene die de bodem saneert, de sanering zodanig uit te voeren dat daardoor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, worden behouden of hersteld, tenzij zich omstandigheden voordoen als bedoeld in het derde lid.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming gaat, indien een geval van ernstige verontreiniging wordt vermoed, de melding als bedoeld in artikel 28 vergezeld van de resultaten van het nader onderzoek alsmede de resultaten van het saneringsonderzoek en van een saneringsplan.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, behoeft het saneringsplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

In artikel 88 van de Wet bodembescherming is onder meer bepaald dat de gemeente Amsterdam wordt gelijkgesteld met de provincie voor de toepassing van de artikelen 27 tot en met 34, 37, artikel 38, vierde en vijfde lid, 39, 40, 42, 43 tot en met 52, 55, 74 tot en met 78, 81, 83 tot en met 86 van deze wet.

2.3. Eerst ter zitting heeft appellant betoogd dat zonder de aankoop van de grond aan de Broekergouw geen monitoring kan plaatsvinden. Dit leidt, aldus appellant, tot de vraag of onder deze omstandigheden wel tot een goede en verantwoorde sanering kan worden gekomen. Zolang niet vaststaat dat het saneringsplan kan worden uitgevoerd, hadden verweerders het bestreden besluit, waarbij met dit plan is ingestemd, dan ook niet kunnen nemen.

Het aanvoeren van deze grond in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant deze grond niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde grond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. Appellant vreest verstoring van zijn bedrijfsvoering, nu bij het drijven van het vee meer begeleiding noodzakelijk is door de grote toename van het vrachtverkeer. Tevens voert hij aan dat duidelijke voorschriften moeten worden gesteld met betrekking tot de tijdstippen waarop transport van grond over de weg mag plaatsvinden.

2.4.1. De Afdeling overweegt dat deze gronden bij de beoordeling van een besluit omtrent de instemming met een saneringsplan geen rol kunnen spelen. Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.5. Appellant vreest dat hij door de in het kader van de sanering plaatsvindende werkzaamheden schade zal ondervinden als gevolg van verstoring van zijn bedrijfsvoering. In dat kader betoogt appellant dat overleg met verweerders over een deugdelijke compensatie van eventuele schade veroorzaakt door en naar aanleiding van de sanering en overleg omtrent de aankoop van gronden aan de Broekergouw tot op heden tot niets hebben geleid.

2.5.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het saneringsplan in de huidige vorm onvoldoende concreet is om te kunnen beoordelen in hoeverre appellant eventuele schade zal ondervinden, veroorzaakt door en naar aanleiding van de sanering en in hoeverre deze schade voor zijn risico dient te blijven. In het besluit van 3 juli 2001 is overwogen, dat het saneringsplan zal worden uitgewerkt tot een zogenoemd Definitief Ontwerp, waarin de uitvoeringsmaatregelen tot in detail zijn aangegeven. Het projectbureau Volgermeerpolder is opgedragen om met betrekking tot het vorenstaande met appellant in overleg te treden. Verweerders stellen dat op 30 januari 2002 een bod tot aankoop van de voor de controlezone benodigde grond is gedaan. Op 21 oktober 2002 is een nieuw aanbod gedaan.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat compensatie van eventuele schade veroorzaakt door en naar aanleiding van de feitelijke uitvoering van de sanering bij de besluitvorming omtrent de instemming met een saneringsplan geen rol kan spelen. Dit geldt tevens voor de mogelijke aankoop van gronden door verweerders.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.C. van Geel, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Geel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003.

125-375.