Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3957

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200201870/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/848

Uitspraak

200201870/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], beweerdelijk handelend namens Burgerkomitee Vuilstortplaats Volgermeerpolder, wonende te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2001, kenmerk 57/0374 BWT 1981, hebben verweerders met een saneringsplan ingestemd als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming met betrekking tot de Volgermeerpolder, de Veenderijgracht en delen van de Poppendammerweeren, een deel van de Belmermeer en een deel van het perceel [locatie], onder toevoeging van de wijziging die is opgetreden ten opzichte van de controlezone zoals omschreven in de rapportage van Iwaco “Aanvullend onderzoek begrenzing stort en versmallen controlezone” van 20 december 2000, kenmerk 42047a0, onder de in het besluit genoemde voorwaarden.

Bij besluit van 22 februari 2002, kenmerk 200100289, verzonden op 22 februari 2002, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 juni 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2002, waar appellant in persoon en verweerders, vertegenwoordigd door mr. ing. M. IJnsen en ing. J.P. van Klaveren, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Algemene wet bestuursrecht wordt een beroepschrift ondertekend.

Ingevolge artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. De rechtbank kan van een gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, een schriftelijke machtiging verlangen.

In artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.2. Appellant heeft beroep ingesteld namens Burgerkomitee Vuilstortplaats Volgermeerpolder (hierna: Burgerkomitee). Daarbij heeft appellant geen stukken overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt.

Appellant is bij aangetekende brief van 5 april 2002 verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Hij is tot en met 3 mei 2002 hiertoe in de gelegenheid gesteld. Hierbij is vermeld dat, indien dat niet binnen de gestelde termijn gebeurt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Appellant heeft in reactie op deze brief bij brief van 15 april 2002 stukken toegezonden, waaruit blijkt dat het Burgerkomitee in 1980 is opgericht en functioneert als werkgroep van de stichting “Stichting Behoud Waterland”. Appellant heeft echter geen machtiging of andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is op te treden namens het Burgerkomitee.

Appellant heeft de gestelde vertegenwoordiging niet binnen de aldus gestelde termijn aangetoond. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.

2.3. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.C. van Geel, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Geel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003.

125-375.