Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3955

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200201500/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 66K
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/2226

Uitspraak

200201500/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V.", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2001, kenmerk 01/000877, heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd als bedoeld in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht vanwege overtreding van voorschrift 3.1 van bijlage II van het Besluit tankstations milieubeheer. De dwangsom is vastgesteld op ƒ 15.000,00 (€ 6.806,70) per keer dat geconstateerd wordt dat bovengenoemd voorschrift wordt overtreden. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op ƒ 75.000,00 (€ 34.033,52). Voor de last onder dwangsom geldt een begunstigingstermijn van twee maanden.

Bij besluit van 18 januari 2002, verzonden op 22 januari 2002, kenmerk 02/000150, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 juni 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. B.M.R.D. Menting en A.C.E. van Ede, beiden ambtenaar van de DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De inrichting waarop de hiervoor genoemde last onder dwangsom en het bestreden besluit betrekking hebben is een tankstation met een wasstraat en een stofzuigerinstallatie, gelegen op het perceel Uitweg 36 te Rotterdam. Deze inrichting valt onder de werkingssfeer van het Besluit tankstations milieubeheer (hierna: het Besluit).

2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen hun bovenomschreven besluit van 6 juni 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat het desbetreffende besluit niet aan appellante maar aan Tankstation Exploitatie Maatschappij Nederland B.V. (hierna: TEM) is gericht, zodat zij niet kan worden aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Appellante kan zich niet met het bestreden besluit verenigen.

2.2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellante de inrichting op het perceel Uitweg 36 te Rotterdam aan haar dochtervennootschap TEM verhuurt en dat TEM sinds 1993 de feitelijke exploitant van de inrichting is. Appellante kon ten tijde van het nemen van zowel het primaire als het bestreden besluit dan ook niet als drijver van de inrichting worden aangemerkt.

Voorts is ter zitting gebleken dat verweerder zowel aan appellante als aan TEM een last onder dwangsom heeft opgelegd ten aanzien van overtreding van voorschrift 3.1 van bijlage II van het Besluit. Het bestreden besluit heeft betrekking op het bezwaarschrift van appellante tegen de aan haar opgelegde last onder dwangsom. Verweerder heeft naar het oordeel van de Afdeling het bezwaar van appellante tegen de last onder dwangsom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat appellante geen belanghebbende is. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Nu een last onder dwangsom slechts aan de overtreder kan worden opgelegd, kan de beslissing op het door appellante ingediende bezwaarschrift niet anders strekken dan tot herroeping van dit besluit. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en zelf in de zaak te voorzien.

2.3. Appellante verzoekt met een beroep op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de bij besluit van 6 juni 2001 opgelegde last onder dwangsom. Zij doelt hiermee op de kosten van het inschakelen van het onderzoeksbureau Greten Raadgevende Ingenieurs B.V. voor onder meer het akoestisch onderzoeksrapport van 19 juli 2001 (hierna: het rapport).

2.3.1. Ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling, indien zij het beroep gegrond verklaart en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

2.3.2. Zoals reeds hiervoor is overwogen is gebleken dat verweerder een gelijkluidende last onder dwangsom aan TEM heeft opgelegd. Appellante houdt alle aandelen in TEM. Tussen appellante en TEM bestaan afspraken over toepassing van milieuregelgeving. Er mag dus van worden uitgegaan dat in gemeenschappelijk overleg van appellante en TEM opdracht is gegeven tot het opstellen van het rapport en dat de kosten van het rapport economisch zijn toe te rekenen aan appellante en TEM, die onderling kunnen bepalen wie de kosten zal dragen. Vaststaat dat TEM geen bezwaren heeft ingediend tegen de oplegging van de last onder dwangsom. Het rapport was niet noodzakelijk om aan te tonen dat appellante geen overtreder was. Voor het overige is niet gebleken van kosten. Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling geen grond aanwezig voor toewijzing van het verzoek van appellante om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek van 18 januari 2002, kenmerk 02/000150;

III. herroept het besluit van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek van 6 juni 2001, kenmerk 01/000877;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VI. gelast dat de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Melse

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

191-353.