Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3952

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200202749/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202749/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een caravanstalling op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 mei 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het ongedateerde advies van de Commissie van Advies voor de Bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 3 april 2002, verzonden op 11 april 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 augustus 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.G.A. Wouters, advocaat te Boekel, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door P.M.H.M. Bakermans, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant heeft een bouwaanvraag ingediend voor de uitbreiding van de bestaande (agrarische) bedrijfsbebouwing ten behoeve van een door hem op het perceel geëxploiteerde caravanstalling.

2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan slechts vergund kan worden na het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zoals dit gold tot 3 april 2000 (hierna: WRO). De rechtbank heeft terecht overwogen dat burgemeester en wethouders niet bevoegd waren tot het verlenen van die vrijstelling, nu aan de wettelijke vereisten voor toepassing van deze procedure niet was voldaan. Voorzover appellant betoogt dat burgemeester en wethouders gehouden waren een voorbereidingsbesluit te nemen, wijst de Afdeling erop dat ingevolge artikel 21 van de WRO uitsluitend de gemeenteraad bevoegd is tot het nemen van een voorbereidingsbesluit en dat op burgemeester en wethouders niet de plicht rust de gemeenteraad te verzoeken een zodanig besluit te nemen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de wenselijkheid van de vrijstelling, de planologische aanvaardbaarheid van het bouwplan en zijn persoonlijke omstandigheden maakt dit niet anders.

Appellant heeft overigens zelf reeds bij de gemeenteraad een verzoek om medewerking aan het bouwplan ingediend. De gemeenteraad heeft op 8 juli 1999 overeenkomstig een voorstel van burgemeester en wethouders hierop afwijzend beslist.

2.3. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel, voorzover dit al niet te laat is gedaan, kan niet slagen, nu de door appellant genoemde uitbreiding van de supermarkt niet op één lijn te stellen is met de veel omvangrijkere uitbreiding van de caravanstalling.

2.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat burgemeester en wethouders gehouden waren de bouwvergunning wegens strijd met artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet te weigeren.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. van Meurs

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

47-422.