Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3950

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200200837/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/558

Uitspraak

200200837/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] e.a., wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2001 heeft de gemeenteraad van Geldermalsen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 1 mei 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Betuweroute, gemeente Geldermalsen".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 december 2001, kenmerk RE2001.57422, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 11 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 december 2002 heeft verweerder meegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 oktober 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.J. Hödl, advocaat te Arnhem,

en verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van de Geldermalsen, vertegenwoordigd door H.G. van Os en C.D. Boogerd, ambtenaren van de gemeente, de minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door L. Vader, ambtenaar van de directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat, en NS Railinfrabeheer B.V., handelend onder de namen “ProRail” en “Projectorganisatie Betuweroute”, vertegenwoordigd door

[gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de aanleg van de Betuweroute binnen de gemeente Geldermalsen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellanten zijn eigenaar onderscheidenlijk personeelsleden van het café-restaurant annex zalencentrum “Den Tol” te Meteren. Zij stellen dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voor zover dat voorziet in de opheffing van de zuidelijke op- en afritten van de A15 ter hoogte van Meteren. Naar hun mening zal deze opheffing voor hen een zeer grote financiële schade tot gevolg hebben, alsmede een aanzienlijk verlies van arbeidsplaatsen.

2.4. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de opheffing van de zuidelijke op- en afritten in overeenstemming is met een regionaal convenant dat is gesloten tussen Rijkswaterstaat, de projectorganisatie Betuweroute en de gemeenten Geldermalsen, Neerrijnen, Buren en Tiel. Daarnaast is bij de voorbereiding van het Tracébesluit voor de Betuweroute voortdurend gesteld dat de volledige aansluiting wordt opgeheven, aldus de gemeenteraad.

Voorts wijst de gemeenteraad op verkeerskundige redenen voor volledige opheffing van de aansluiting.

Ten aanzien van de financiële schade heeft de gemeenteraad gewezen op artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de nadeelcompensatieregeling voor de Betuweroute.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het goedgekeurd. Hij heeft bij zijn toetsing in aanmerking genomen dat de minister van Verkeer en Waterstaat op 5 september 2000 een reeds onherroepelijk geworden vergunning heeft verleend op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor het verwijderen van de toe- en afritten van de wegaansluiting “Meteren” en het hierna ter plaatse herinrichten van de berm. Volgens verweerder was de opheffing van de zuidelijke toe- en afrit een voldongen feit en heeft de gemeenteraad dit gegeven slechts planologisch vastgelegd.

2.6. Anders dan verweerder meent, brengt het onherroepelijk worden van de vergunning van 5 september 2000 op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken niet reeds mee dat de gemeenteraad de opheffing van de zuidelijke toe- en afrit planologisch zonder meer had vast te leggen. Voor een zodanig verband tussen deze vergunning en de inhoud van het bestemmingsplan bestaat geen wettelijke grond. In zoverre heeft verweerder een ondeugdelijke motivering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Voorts overweegt de Afdeling dat verweerder, gelet op het onder 2.1. vermelde toetsingskader, dient te beoordelen of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Bij deze beoordeling dienen in dit geval onder meer het bedrijfsbelang en het belang van de werkgelegenheid van appellanten te worden betrokken. Nu verweerder bij het bestreden besluit zonder nadere afweging aan de vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken doorslaggevende betekenis heeft toegekend, heeft hij naar het oordeel van de Afdeling een te beperkte toetsing verricht. In zoverre heeft verweerder het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden - A", zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

De overige gronden van het beroep behoeven geen bespreking meer.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 11 december 2001, kenmerk RE001.57422, voorzover het de goedkeuring van het plandeel met de bestemming

"Agrarische doeleinden - A", zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart, betreft;

III. veroordeelt gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

218-400.