Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3949

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200203456/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203456/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 15 mei 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Menterwolde.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Menterwolde (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd aan appellant vrijstelling te verlenen voor de aanleg van een mestfoliebassin buiten het bouwvlak, zoals dit aan het perceel [locatie] (hierna: het perceel) is toegekend.

Bij besluit van 7 mei 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften Menterwolde van 2 april 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 15 mei 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 september 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door R. Hazekamp, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Muntendam” rust op het perceel de bestemming “agrarisch gebied”.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de op de kaart voor agrarisch gebied aangewezen gronden bestemd voor cultuurgrond met daarbij behorende paden, sloten, andere bouwwerken en andere werken en voor agrarische bedrijven met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen en bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken. Onder deze bestemming is mestopslag buiten de in het tweede lid, onder b bedoelde denkbeeldige rechthoek niet begrepen.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, geldt voor het bouwen op de in het eerste lid omschreven gronden dat de gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen een denkbeeldige rechthoek van maximaal 1 hectare.

Ingevolge artikel 2, zesde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid, ten behoeve van de opslag van mest, indien er voor het betreffende agrarische bedrijf binnen de denkbeeldige rechthoek (hierna: bouwvlak) onvoldoende ruimte aanwezig is, dan wel indien op grond van milieuhygiënische knelpunten of om planologische redenen oprichting van een mestsilo buiten de rechthoek noodzakelijk is; voorts mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan landschappelijke en cultuurhistorische waarden (landschappelijke inpasbaarheid) en natuurlijke waarden en aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders ten onrechte de vrijstelling hebben geweigerd op de grond dat niet is voldaan aan de in artikel 2, zesde lid, van de planvoorschriften gestelde voorwaarden voor het verlenen van vrijstelling.

2.2.1 In dit verband voert hij aan dat sprake is van een milieuhygiënisch knelpunt omdat, rekening houdende met de afstandscriteria genoemd in het Besluit mestbassins milieubeheer (hierna Bmm), plaatsing van het mestbassin binnen het bouwvlak niet mogelijk is. Dit betoog faalt. Uit artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bmm volgt dat daarbij niet de afstand tot de grens van het bouwvlak [locatie] bepalend is, maar de afstand tot de op dat perceel gelegen woning. De rechtbank heeft derhalve terecht vastgesteld dat geen sprake is van een milieuhygiënisch knelpunt.

2.2.2. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders ten onrechte hebben geconcludeerd dat er geen planologische redenen aanwezig zijn om de mestopslag buiten het bouwvlak te plaatsen. Volgens appellant zal plaatsing van het mestbassin binnen het bouwvlak leiden tot een onaanvaardbare toename van zwaar vrachtverkeer op de Tripscompagniesterweg. Dit betoog faalt evenzeer. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat een toename van het aantal verkeersbewegingen met ten hoogste 185 per jaar niet leidt tot een situatie op de Tripscompagniesterweg op grond waarvan plaatsing buiten het bouwvlak noodzakelijk is. Dat plaatsing buiten het bouwvlak voor appellant uit praktisch en economisch oogpunt wenselijk is kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.3. Nu niet is voldaan aan de in het bestemmingsplan opgenomen voorwaarden voor het verlenen van vrijstelling, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat burgemeester en wethouders het verzoek om vrijstelling terecht hebben afgewezen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. van Meurs

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

47-422.