Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200203451/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/2519

Uitspraak

200203451/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging van Eigenaren De Zaagmolen", gevestigd te Wijk bij Duurstede,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2002, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een aannemers- en agrarisch loonbedrijf, gelegen op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 16 mei 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door J. Veenstra, medewerker van de gemeente, is verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. van Lint, advocaat te Sassenheim, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellante voert aan dat de aanwezigheid van de inrichting van vergunninghoudster zich niet verdraagt met het plaatse geldende bestemmingsplan, dat daardoor geen bouwvergunning voor de inrichting kan worden verleend en dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden.

Het bezwaar dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer.

Voorts overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat volgens appellante geen bouwvergunning kan worden verleend er niet aan in de weg staat dat krachtens de Wet milieubeheer een vergunning wordt verleend.

Voorzover appellante aanvoert dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol.

Gelet op het bovenstaande treffen de beroepsgronden geen doel.

2.3. Appellante voert aan dat er thans reeds bij het in werking zijn van de inrichting geluidoverlast is. Naar de mening van appellante kan niet worden voorkomen dat geluidoverlast optreedt die boven de aanvaardbare normering uit gaat komen. In dit verband betoogt zij dat ten onrechte geen geluidmeting is uitgevoerd.

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij gangbare rekenmodellen heeft gehanteerd die inzicht geven in de te verwachten geluidbelasting die wordt veroorzaakt door de inrichting. Volgens hem zijn de gestelde geluidgrenswaarden toereikend ter beperking van de geluidhinder vanwege de inrichting en blijkt uit voornoemde rekenmodellen dat deze geluidgrenswaarden tevens kunnen worden nageleefd.

2.3.2. Verweerder heeft ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, behalve bij het stellen van de piekgeluidgrenswaarden, waarbij aansluiting is gezocht bij de circulaire Industrielawaai.

Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift B.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten (inclusief verkeersbewegingen binnen de inrichting) ter plaatse van hieronder genoemde beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

beoordelingspunt dagperiode 07.00 en 19.00u avondperiode 19.00 en 23.00u nachtperiode 23.00 en 07.00u

1.2. 40 dB(A)50 dB(A) 35 dB(A)45 dB(A) 35 dB(A)40 dB(A)

1. gevels van woningen van derden;

2. gevels van woningen van derden gedurende 3 weken per jaar tijdens de oogst van snijmaïs en bij calamiteiten (maximaal 12 x per jaar).

Ingevolge voorschrift B.2 mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten (inclusief verkeersbewegingen binnen de inrichting) ter plaatse van in voorschrift B.1 genoemde beoordelingsplaatsen niet meer bedragen dan:

beoordelingspunt dagperiode07.00 en 19.00u avondperiode 19.00 en 23.00u nachtperiode 23.00 en 07.00u

1. 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)

2.3.3. Blijkens de considerans van het bestreden besluit heeft verweerder bij het stellen van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau – volgens de systematiek van hoofdstuk 4 van de Handreiking – allereerst aansluiting gezocht bij de richtwaarden die zijn aanbevolen voor een landelijke omgeving. In de considerans is verder vermeld dat voor de in de buurt van de inrichting gelegen woningen kan worden aangesloten bij de richtwaarden die zijn aanbevolen voor een rustige woonwijk met weinig verkeer. Verweerder betoogt dat de geluidbelasting ten gevolge van de inrichting de richtwaarden voor een landelijke omgeving niet overschrijdt, behoudens de richtwaarde voor de nachtperiode. Aan een norm van 35 dB(A) in de nachtperiode kan volgens verweerder wel worden voldaan. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat een norm van 35 dB(A) voor de nachtperiode kan worden gesteld, gezien de omstandigheid dat de inrichting reeds jaren op deze wijze in werking is, daarvoor vergunning is verleend en vergunninghoudster er derhalve van mocht uitgaan dat de feitelijke bedrijfsvoering vergund was, alsmede gezien de omstandigheid dat in de nachtperiode uitsluitend geluid wordt veroorzaakt door verkeersbewegingen tussen 06.00 en 07.00 uur en de ligging van de inrichting op de grens van het landelijk gebied en de rand van het centrum.

Gelet op het verhandelde ter zitting en het geluidadvies van de Milieudienst Zuidoost-Utrecht van 25 februari 2002 stelt de Afdeling vast dat de omgeving van de inrichting ter plaatse van de geluidgevoelige objecten moet worden gekarakteriseerd als een rustige woonwijk met weinig verkeer. Nu de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau die zijn verbonden aan het thans ter beoordeling staande besluit, waaronder de geluidgrenswaarde voor de nachtperiode, de aanbevolen richtwaarden voor deze woonomgeving niet te boven gaan ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze geluidgrenswaarden toereikend zijn ter beperking van de geluidbelasting ten gevolge van de inrichting.

De beroepsgrond treft in zoverre geen doel.

2.3.4. Uit de considerans van het bestreden besluit leidt de Afdeling af dat verweerder bij het stellen van de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gedurende de oogsttijd aansluiting heeft gezocht bij paragraaf 5.3 van de Handreiking.

Volgens paragraaf 5.3 van de Handreiking kan voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie, waarbij in principe wordt uitgegaan van een frequentie van maximaal circa een dag-, avond- of nachtperiode per week, na een bestuurlijk afwegingsproces een hogere grenswaarde worden gesteld.

Onder verwijzing naar haar uitspraak van 24 juli 2002, zaak no. 200100451/1 (aangehecht), overweegt de Afdeling dat, gelet op de Handreiking op dit punt, door verweerder met een goede motivering kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat een verhoging van de geluidemissie zal optreden met een frequentie van maximaal een dag-, avond- of nachtperiode per week. De door verweerder gegeven motivering dat het seizoensgebonden werk betreft en dat de activiteiten een kortstondig karakter hebben, acht de Afdeling in dit geval voldoende.

Nu de activiteiten in vergunningvoorschrift B.1, onder 2, voorzover dat hierop betrekking heeft, zijn beperkt tot 3 weken per jaar tijdens de oogst van snijmaïs en een kortstondig karakter hebben, alsmede gezien de hoogte van de gestelde geluidgrenswaarden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit voorschrift toereikend is ter beperking van geluidhinder die door deze activiteit wordt veroorzaakt.

In zoverre faalt de beroepsgrond.

2.3.5. Wat de piekgeluidgrenswaarden betreft, overweegt de Afdeling dat deze geluidgrenswaarden vallen binnen de marges die in de circulaire Industrielawaai als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt. Dat deze piekgeluidgrenswaarden hoger zijn dan de gestelde piekgeluidgrenswaarden in de oprichtingsvergunning van 9 oktober 1991 maakt dit niet anders.

In zoverre faalt de beroepsgrond.

2.3.6. Voor zover appellante betoogt dat ten onrechte geen geluidmeting is uitgevoerd kan de beroepsgrond niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, aangezien aan de hand van rekenmodellen de geluidbelasting vanwege de inrichting is berekend en dit als een gangbare methode kan worden aangemerkt om de geluidbelasting te bepalen.

De beroepsgrond treft in zoverre geen doel.

2.3.7. Gelet op de stukken ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat de gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd.

De beroepsgrond treft in zoverre geen doel.

2.4. Voorzover appellante vreest voor verdere uitbreiding van de inrichting in de toekomst, overweegt de Afdeling dat in zoverre niet is gebleken van zodanige toekomstige ontwikkelingen dat verweerder deze ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer als redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen bij de beslissing op de aanvraag had dienen te betrekken.

De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

271-372.