Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
E03981596/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E03.98.1596.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "De Waddenvereniging" gevestigd te Harlingen en de stichting "De Stichting Milieufederatie Groningen", gevestigd te Groningen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 1998, kenmerk 98/13.896/41/A.24, RMM, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Elektroschmelzwerk Delfzijl B.V." (hierna: ESD) een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor de productie van siliciumcarbide op de percelen Kloosterlaan 11-13 te Delfzijl, kadastraal bekend gemeente Delfzijl, sectie O, nummers 107 en 108. Dit besluit is op 16 oktober 1998 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 25 november 1998, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 1998, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 april 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 26 oktober 2000. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2001, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door B.H.C. van Dam, D. van Hell, J.P. van Zweeden, J. ten Hove, M.J. Hopma, E.P Smid en H.P. Werkman, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Tevens is als partij gehoord ESD, vertegenwoordigd door mr. M.T.H. de Gaay Fortman, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigden].

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 19 december 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door B.H.C. van Dam, J.P. van Zweeden, M.J. Hopma en W.K. Bouwmeester, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Verder is vergunninghoudster verschenen, vertegenwoordigd door mr. M. Klijnstra en mr. M.T.H. de Gaay Fortman, advocaten te Amsterdam, en [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 27 februari 2001, kenmerk 2001-2269/9/A.33, RMM, heeft verweerder het thans bestreden besluit van 6 oktober 1998 ingetrokken en opnieuw een revisievergunning verleend voor de onderhavige inrichting. Blijkens het besluit van 27 februari 2001 heeft verweerder tot deze intrekking besloten omdat hij tot het inzicht is gekomen dat het besluit van 6 oktober 1998 op een aantal punten niet juist of rechtmatig was. Onder deze omstandigheid komt de Afdeling tot het oordeel dat het besluit van 6 oktober 1998 zich niet verdraagt met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

2.2. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Bij de vaststelling van de proceskostenveroordeling heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de onderhavige zaak gevoegd is behandeld met de zaak 200101898/1.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 6 oktober 1998, kenmerk 98/13.896/41/A.24, RMM;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 161, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Groningen te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de provincie Groningen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 190,59) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Havik, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Havik

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

213-164.