Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200203739/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203739/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", gevestigd te Deurne,

en

het college van burgemeester en wethouders van Sevenum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2002, kenmerk 11293, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een pluimveehouderij en akkerbouwbedrijf gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Sevenum. Dit besluit is op 5 juni 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 10 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2002, en appellante sub 2 bij brief van 12 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft de gronden aangevuld bij brief van 2 augustus 2002.

Bij brief van 4 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2003, waar appellant sub 1 in persoon en bijgestaan door mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. D.E.M.C. Opbroek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, bijgestaan door mr. E.A.M. Leenaerts, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van de bij het bestreden besluit verleende revisievergunning mogen ten hoogste 20.876 scharrelkippen worden gehouden.

2.2. Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant sub 1 heeft geen bedenkingen ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Uit de stukken is gebleken dat appellant sub 1 ten tijde dat het ontwerp-besluit ter inzage heeft gelegen in onderhandeling was met de verkoper van de woning gelegen op het perceel [locatie 2] te [plaats]. Voorts is gebleken dat appellant sub 1 deze woning kort na het verstrijken van de termijn waarbinnen bedenkingen konden worden ingebracht, heeft gekocht. De Afdeling is van oordeel dat het op de weg van appellant sub 1 had gelegen bij het gemeentebestuur inlichtingen in te winnen over de eventueel voor hem relevante procedures in de omgeving van de door hem te kopen woning en dat het niet inwinnen van deze inlichtingen voor rekening van appellant sub 1 komt. Met inachtneming van het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat appellant sub 1 niet naar de eis van artikel 20.6, tweede lid, onder d, van de Wet milieubeheer heeft aangetoond dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen tegen het ontwerp van het besluit zodat hij geen beroepsrecht kan ontlenen aan artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer. Het beroep van appellant sub 1 is niet-ontvankelijk.

2.3. Appellante sub 2 betoogt sprake is van de oprichting van een nieuwe inrichting. In dat verband wijst zij er op dat de door vergunninghoudster gedreven varkenshouderij is beëindigd omdat vergunninghoudster heeft deelgenomen aan de Regeling beëindiging veehouderijtakken. In de inrichting worden geen varkens meer gehouden, de stallen zijn reeds gesloopt en de varkensrechten zijn door het bureau mestrechten te Assen doorgehaald, aldus appellante sub 2.

2.3.1. Verweerder stelt dat geen oprichtingsvergunning vereist is omdat geen sprake is van de oprichting van een nieuwe inrichting, maar slechts van het omwisselen van varkens door pluimvee. De nu vergunde activiteiten vallen in dezelfde categorie van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer als de activiteiten die waren vergund bij de onderliggende vergunning, aldus verweerder.

2.3.2. Ingevolge artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer vervangt een met toepassing van dit artikel verleende vergunning met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder voor de inrichting of met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen daarvan verleende vergunningen. Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van dit artikel verleende vergunning onherroepelijk wordt.

2.3.3. Voor de inrichting is eerder op 20 mei 1986 een revisievergunning krachtens de Hinderwet verleend voor een varkenshouderij. Niet in geschil is dat de inrichting heeft deelgenomen aan de Regeling beëindiging veehouderijtakken (Stcrt. 2000, 55; hierna: de Regeling). Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat verweerder deze vergunning heeft ingetrokken door toepassing van artikel 8.25 of 8.26 van de Wet milieubeheer dan wel dat deze vergunning van rechtswege is vervallen. Derhalve was de onderliggende vergunning van kracht tot het tijdstip waarop het bestreden besluit in werking is getreden.

De Wet milieubeheer staat niet in de weg aan het verlenen van een revisievergunning voor een inrichting waarin sprake is van het gedeeltelijk wijzigen van de bedrijfsactiviteiten ten opzichte van de bij de onderliggende vergunning vergunde bedrijfsvoering. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het betoog van appellante sub 2 niet kan leiden tot de conclusie dat verweerder ten onrechte een vergunning als geregeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer en geen oprichtingsvergunning heeft verleend. De vraag of vergunninghoudster daarmee heeft voldaan aan de Regeling om voor subsidie in aanmerking te komen is in het kader van de onderhavige procedure niet relevant.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.5. Appellante sub 2 betoogt dat de inrichting stankhinder zal veroorzaken omdat niet aan de in acht te nemen afstand kan worden voldaan. Verder kan de vergunningverlening niet op de bestaande rechten worden gebaseerd, omdat geen varkens meer worden gehouden, aldus appellante sub 2.

2.5.1. Verweerder heeft voor de beoordeling van de stankhinder die de inrichting veroorzaakt de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 (hierna te noemen: de brochure) toegepast.

Verweerder heeft de vergunningverlening op de bestaande rechten gebaseerd en stelt dat er een aanzienlijke verbetering optreedt ten opzichte van de onderliggende vergunning.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat de beschermende werking van artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer geldt voor aan eerder verleende, niet vervallen, vergunningen ontleende rechten, ongeacht of daarvan nog feitelijk gebruik wordt gemaakt. Vast staat dat de onderliggende vergunning niet is ingetrokken of van rechtswege is vervallen. Derhalve kan vergunninghoudster daaraan nog, daargelaten of er feitelijk nog varkens worden gehouden, rechten ontlenen.

Het veebestand dat op grond van de bij het bestreden besluit verleende vergunning mag worden gehouden komt omgerekend op basis van de in bijlage 1 behorende bij de Richtlijn opgenomen omrekeningsfactoren overeen met 464 mestvarkeneenheden. Niet in geschil is dat bij dit aantal mestvarkeneenheden niet aan de in acht te nemen afstand ten opzichte van de woning gelegen op het perceel [locatie 2], zijnde een categorie III-object als bedoeld in bijlage 6 behorende bij de brochure, kan worden voldaan. Voorts is niet in geschil dat het veebestand dat op grond van de onderliggende vergunning mocht worden gehouden overeenkomt 783 mestvarkeneenheden, zodat derhalve sprake is van een afname van het aantal mestvarkeneenheden. Verder is gebleken dat de afstand tussen het emissiepunt van de inrichting en de woning gelegen op het perceel [locatie 2] niet is veranderd. In hetgeen appellante sub 2 heeft aangevoerd vindt de Afdeling verder geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat de situatie uit een oogpunt van stankhinder niet zodanig is, dat met toepassing van artikel 8.4 in samenhang met afdeling 8.1.2 van de Wet milieubeheer de aan de vergunning verbonden voorschriften zouden moeten worden aangescherpt dan wel de vergunning geheel of gedeeltelijk zou moeten worden geweigerd.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vergunningverlening, wat stankhinder betreft, kan worden gerechtvaardigd met een beroep op artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer.

2.6. Het beroep van appellant sub 1 is niet-ontvankelijk. Het beroep van appellante sub 2 is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellant sub 1 niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van appellante sub 2 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

189-307.