Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3923

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200204439/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rijbewijzen 2014/475
Module Rijbewijzen 2014/492

Uitspraak

200204439/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Assen van 3 juli 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2000 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) besloten een onderzoek naar de geschiktheid van appellante te vorderen en tevens de geldigheid van haar rijbewijs voor alle categorieën te schorsen.

Bij besluit van 19 april 2001 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 oktober 2002 heeft de minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2003, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. F. Sieders, advocaat te Coevorden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid, dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, van de WVW, besluit Onze Minister, indien de in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling naar zijn oordeel daartoe aanleiding geeft, dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling genomen.

Ingevolge artikel 7 juncto artikel 5, onder c, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid van 18 mei 2000 (hierna: de Regeling), voorzover hier van belang, kan de geldigheid van het rijbewijs worden geschorst, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige.

2.2. Appellante is de mening toegedaan dat er geen gronden waren om haar te verplichten zich te onderwerpen aan een onderzoek naar haar geschiktheid en dat er evenmin aanwijzingen waren om de geldigheid van haar rijbewijs te schorsen. Na een medische behandeling, die zij in 1998 had ondergaan, had appellante op vrijwillige basis een jaar lang geen auto gereden, waarna zij in september 1999, op advies van haar revalidatiearts, een zogeheten “Eigen Verklaring” heeft ingestuurd ter verkrijging van een verklaring van geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig. Aangezien zij daartoe echter niet verplicht was en zij, vanwege haar herstel, nader onderzoek niet nodig achtte, heeft zij deze “Eigen Verklaring” vervolgens weer willen intrekken.

2.3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd werpt geen nieuw licht op de zaak. Voorzover zij beoogt te stellen dat door intrekking van haar aanvraag, de door haarzelf in gang gezette geschiktheidsprocedure alsnog ongedaan kon worden gemaakt, is daarvoor in de Regeling noch enige andere regelgeving steun te vinden. Afgezien daarvan is van de zijde van het CBR aan appellante meegedeeld dat met de intrekking van haar aanvraag niet kon worden volstaan. Desondanks heeft zij in het geheel niet op de aan haar bij herhaling toegezonden oproepen voor een onderzoek door een aanpassingsdeskundige gereageerd. Deze opstelling van appellante heeft het vermoeden doen rijzen dat bij haar van onvoldoende geschiktheid sprake was. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister zich op basis van dit vermoeden, ook al waren de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden door appellante onverplicht verstrekt, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij zich diende te onderwerpen aan een onderzoek naar haar geschiktheid. Niet kan worden staande gehouden dat de minister zich in de gegeven situatie niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat tevens voldoende aanleiding bestond om de geldigheid van het rijbewijs van appellante te schorsen tot meer duidelijkheid uit nader onderzoek zou zijn gebleken. De rechtbank is tot dezelfde conclusies gekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

367.