Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3915

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200204581/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204581/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda van 8 juli 2002 in het geding tussen:

[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2001 hebben appellanten (hierna: burgemeester en wethouders) aan [verzoekers] op straffe van een dwangsom gelast het in hun opdracht aangebrachte puin op de onverharde weg, plaatselijk bekend als de Reth, te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 21 mei 2002 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2002, verzonden op 11 juli 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 21 mei 2002 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 september 2002 hebben [verzoekers] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Onbestreden staat vast dat in opdracht van [verzoekers] in september 2001 gebroken puin is gestort op het gedeelte van de Reth dat aan hen in eigendom toebehoort.

2.2. Op de gedeelten van de Reth, waarop de last ziet, rust ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” (hierna: het plan) de bestemming “Verkeersdoeleinden”, met de nadere aanduiding “waardevolle onverharde weg”.

Ingevolge artikel 30, onder I, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor een onverharde weg met een functie voor doorgaand en/of stilstaand wegverkeer en een belang, zoals nader op de plankaart aangeduid, alsmede voor het behoud van de landschappelijke waarde, zoals op de plankaart aangegeven.

Ingevolge artikel 4, onder I, van de planvoorschriften is het verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming die daar ingevolge het plan op rust.

2.3. Burgemeester en wethouders klagen allereerst dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het aanbrengen van het puin niet in strijd is met artikel 30, onder I, van de planvoorschriften en van overtreding van artikel 4, onder I, van de planvoorschriften geen sprake is.

2.4. De voorzieningenrechter heeft aan de desbetreffende overweging ten grondslag gelegd dat - samengevat weergegeven - het plan geen rechtstreeks tot burgers gerichte voorschriften bevat ten aanzien van de wijze, waarop onverharde wegen hun waardevolle of oorspronkelijke karakter dienen te behouden en met name de aanduiding op de plankaart als “waardevolle onverharde weg” niet als zodanig kan worden opgevat.

2.5. Het plan bevat ten aanzien van de gedeelten van de Reth waarop de last ziet, gezien de kaart die daarvan onderdeel uitmaakt en het bepaalde in artikel 4, onder I, van de voorschriften, het verbod om deze te gebruiken in strijd met de daarop rustende nadere aanduiding “onverharde weg”. Het zodanig daarop aanbrengen van puin, dat die gedeelten worden verhard, is ingevolge die bepaling verboden. Voor overtreding van dat verbod is niet vereist dat de desbetreffende weggedeelten dientengevolge hun landschappelijk waardevolle karakter verliezen.

2.6. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en de overige gronden van het hoger beroep geen bespreking behoeven.

2.7. Doende hetgeen de voorzieningenrechter behoorde te doen, dient het beroep van [verzoekers] op hierna te melden gronden gegrond te worden verklaard.

2.8. De last van 4 december 2001, zoals gehandhaafd, ziet ook op gedeelten van de Reth waarover, [verzoekers], naar zij stellen, geen zeggenschap hebben. Zij bestrijden dat zij, zoals burgemeester en wethouders stellen, ook op die gedeelten gebroken puin hebben laten storten. Daartoe hebben zij een verklaring overgelegd van het loon- en grondverzetbedrijf dat het puin in hun opdracht heeft gestort.

2.9. In bezwaar hebben [verzoekers] aangevoerd dat hun bij het besluit van 4 december 2001 geen afschrift is toegezonden van de tekening, waarop de gedeelten zijn weergegeven waarop de last ziet. Voorts hebben zij tijdens de hoorzitting van 13 maart 2002, waar hun bezwaar is behandeld, gesteld dat zij alleen puin hebben gestort op het perceel dat aan hen in eigendom toebehoort.

Hetgeen [verzoekers] aldus in bezwaar naar voren hebben gebracht, had voor burgemeester en wethouders aanleiding moeten zijn om de last niet te handhaven zonder te onderzoeken of [verzoekers] puin hebben gestort op gedeelten van de Reth, waarover zij geen zodanige zeggenschap hebben, dat zij ook in zoverre aan de last uitvoering kunnen geven. Nu burgemeester en wethouders dit niet hebben gedaan, is het besluit in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Dat [verzoekers] hun stelling eerst in beroep met de voormelde verklaring hebben toegelicht, maakt dit niet anders.

2.10. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het beroep van [verzoekers], zij het op onjuiste gronden, terecht gegrond heeft verklaard en het besluit van 21 mei 2002 terecht heeft vernietigd. Gelet hierop, behoeven de overige gronden van [verzoekers] geen bespreking.

2.11. Voor een veroordeling van de proceskosten van burgemeester en wethouders in hoger beroep bestaat geen aanleiding. Wel dienen burgemeester en wethouders op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [verzoekers] in beroep.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Breda van 8 juli 2002, in zaak met reg. nos. 02/1055 VV en 02/1056;

III. verklaart het door [verzoekers] in die zaak bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau van 21 mei 2002, kenmerk 0226040838/hem/02.33;

V. draagt burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau op binnen 10 weken na de verzending van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, een nieuw besluit te nemen en dit aan [verzoekers] toe te zenden;

VI. veroordeelt burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau in de door hen in verband met de behandeling van het beroep van [verzoekers] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Baarle-Nassau aan [verzoekers] te worden betaald, des dat betaling aan de een bevrijdt tegenover de ander;

VII. gelast dat de gemeente Baarle-Nassau aan hen op die wijze het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht, ten bedrage van € 109,00, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Huijben

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

313.