Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3908

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200201745/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201745/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de vereniging "Vereniging Natuur en Milieu Ureterp", gevestigd te Ureterp,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Opsterland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2002, kenmerk 01-06, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van de inrichting op het adres [locatie]. Dit besluit is op 15 februari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 26 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2002, appellante sub 2 bij brief van 26 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2002, en appellant sub 3 bij brief van 27 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 12 april 2002 en 3 mei 2002. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brieven van 8 april 2002 en 20 juni 2002.

Bij brief van 7 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 september 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2002, waar appellanten sub 1 en appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellant sub 3, vertegenwoordigd door mr. H. Martens, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door P. Stevens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Appellanten sub 1 voeren aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet zijn overwegingen omtrent de door hen ingebrachte bedenkingen heeft vermeld.

2.1.1. Ingevolge artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt het bestuursorgaan bij de bekendmaking van het besluit zijn overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen.

2.1.2. In het bestreden besluit heeft verweerder geen melding gemaakt van de door appellanten sub 1 ingebrachte bedenkingen. De Afdeling stelt echter vast dat door appellanten sub 1 binnen de termijn waarin bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit konden worden ingebracht, bedenkingen zijn ingebracht, die identiek zijn aan de door appellante sub 2 ingebrachte bedenkingen. Verweerder heeft zijn overwegingen met betrekking tot de bedenkingen van appellante sub 2 in het bestreden besluit vermeld. De Afdeling overweegt dat artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht niet voorschrijft dat bij gelijkluidende bedenkingen steeds op elke bedenking afzonderlijk moet worden ingegaan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. Appellanten sub 1 en sub 2 voeren aan dat verweerder ten onrechte een veranderingsvergunning heeft verleend. Volgens hen wordt de inrichting zodanig ingrijpend veranderd dat verweerder een revisievergunning had moeten verlenen.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

Ingevolge artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag, indien een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.

2.2.2. Aan verweerder komt beleidsvrijheid toe bij het al dan niet verlangen van een revisievergunning indien een veranderingsvergunning is aangevraagd. Bij besluit van 4 augustus 1998 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan vergunninghoudster een vergunning voor het oprichten van een paardenhouderij verleend. Derhalve is geen sprake van een situatie waarin het bestaande vergunningenbestand voor de inrichting onduidelijk is. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een verandering van de inrichting, bestaande uit een uitbreiding van de inrichting met een camping voor 50 staanplaatsen, een receptie, douches en toiletten en een parkeerterrein en voersilo en verplaatsing van de mestplaat, een voersilo, de buitenbak, rijhal, machineloods en diverse bovengrondse tanks en vaten. Deze verandering is als zodanig voldoende duidelijk. Daarom kan niet worden geoordeeld dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van zijn bevoegdheid een revisievergunning te verlangen. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.3. Appellanten voeren aan dat de aanvraag ontoereikend is. Appellanten sub 1 en sub 2 voeren in dit verband aan dat in de aanvraag niet is aangegeven in hoeverre de activiteiten in de inrichting een verstoring van het gebied veroorzaken. Appellant sub 3 voert aan dat niet wordt aangegeven welke kampeermiddelen worden gebruikt en of er voorwaarden aan de kampeermiddelen worden gesteld.

2.3.1. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer of dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 voeren aan dat de inrichting is gelegen in het zoekgebied van de ecologische hoofdstructuur en wijzen in dit verband op een aantal bestemmingsplannen en nota’s inzake ruimtelijke ordening, op grond waarvan vestiging van een camping als bij het bestreden besluit vergund, in dit gebied ontoelaatbaar wordt geacht.

2.5.1. De enkele omstandigheid dat de situering van de inrichting zich niet verdraagt met bestemmingsplannen en nota’s inzake ruimtelijke ordening heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. In zoverre kan dit beroepsonderdeel niet slagen.

2.5.2. Voorzover appellanten met de verwijzing naar deze nota’s hebben willen aanvoeren dat de inrichting is gelegen in een kwetsbaar natuurgebied en dat gevreesd moet worden dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot een aantasting van de bestaande ecologische waarden, overweegt de Afdeling dat appellanten in hun beroepschrift noch ter zitting aannemelijk hebben gemaakt dat vergunningverlening zal leiden tot aantasting van de ecologische waarden. Uit het deskundigenbericht van de Stichting advisering bestuursrechtspraak blijkt voorts dat niet behoeft te worden gevreesd voor aantasting van bestaande ecologische waarden ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de gevraagde vergunning hierom had moeten weigeren of nadere voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden.

2.6. Appellanten sub 1 en sub 2 voeren aan dat vergunningverlening voor de camping in strijd is met de Wet op de openluchtrecreatie 1995 en de Beleidsnotitie Verblijfsrecreatie 1996.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.7. Appellanten sub 1 en sub 2 voeren aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de activiteiten die voortvloeien uit de teelt van buxus en graszoden.

Ter zitting hebben partijen erkend dat de teelt van buxus en graszoden niet tot de vergunde activiteiten behoort en ook niet in de inrichting plaatsvindt. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.

2.8. Appellanten sub 1 en sub 2 voeren aan dat vergunninghoudster zonder vergunning een loods heeft gerealiseerd en in strijd met de vigerende vergunning de paardrijhal en buitenbak heeft verplaatst. Voorts vrezen appellanten dat in de inrichting in strijd met de vergunning manege-activiteiten zullen gaan plaatsvinden. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kunnen om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.9. Appellanten sub 1 en sub 2 voeren aan dat verweerder ten onrechte de aanlegsteiger voor kano’s niet bij de vergunningverlening heeft betrokken.

De Afdeling overweegt dat de aanlegplaats niet is gelegen op het terrein van de inrichting en daarom geen deel uitmaakt van de inrichting. Verweerder heeft deze aanlegplaats op goede gronden buiten beschouwing gelaten.

2.10. Appellanten sub 1 en sub 2 vrezen voor visuele hinder. Volgens hen veroorzaken tenten en caravans een verstoring van het landschappelijk beeld.

2.10.1. De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets.

Ter zitting is gebleken dat het kampeerterrein zal zijn gelegen op een perceel dat in het zuidwesten grenst aan een groenstrook evenwijdig aan een verbindingskanaal. Aan de overzijde van dit kanaal bevindt zich een bosgebied. Voorts bevinden zich in de omgeving van het perceel diverse bomensingels. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.11. Appellanten sub 1 en sub 2 vrezen dat de inrichting in de toekomst verder zal worden uitgebreid en zal leiden tot een toename van hinder. Zij wijzen in dit verband op de aanvraag waarin vergunninghoudster aangeeft in de toekomst het aantal in de inrichting te houden dieren uit te breiden naar 100 paarden.

De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond zich richt tegen een eventuele uitbreiding van de inrichting in de toekomst waarop het bestreden besluit niet ziet. De beroepsgrond heeft derhalve geen betrekking op de rechtmatigheid van de nu ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

2.12. Appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 stellen lichthinder te vrezen.

2.12.1. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.8 moet de in de inrichting aangebrachte of gebezigde verlichting en de te verrichten werkzaamheden zodanig zijn afgeschermd, dat buiten de inrichting geen hinderlijke lichtstralen en/of lichtflitsen worden veroorzaakt.

2.12.2. In hetgeen appellanten hebben gesteld ziet de Afdeling, mede gelet op de aard en omvang van de inrichting en het bepaalde in voorschrift 1.1.8, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onaanvaardbare lichthinder vanuit de inrichting niet valt te verwachten.

2.13. Appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 stellen geluidhinder te vrezen. In dit verband voeren zij aan dat de in het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.1.1 opgenomen grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) te hoog zijn. Appellanten sub 1 en sub 2 voeren aan dat in de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 ten onrechte de dagperiode begint om 06.00 uur. Voorts zijn appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 van mening dat niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.13.1. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder aan de vergunning onder meer de volgende voorschriften verbonden.

Ingevolge voorschrift 4.1.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten op 50 meter uit de grens van de inrichting niet meer bedragen dan 45 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur, 40 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur en 35 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur.

Ingevolge voorschrift 4.1.2 mag de hoogste waarden van het geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting opgestelde toestellen, alsmede in de inrichting verrichte activiteiten, op 50 meter uit de grens van de inrichting, niet meer bedragen dan 70 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur, 65 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur en 60 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur.

2.13.2. Voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder heeft verweerder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van oktober 1998 (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. Volgens verweerder behoeft niet voor geluidhinder te worden gevreesd. Hij voert in dit verband aan dat de gestelde geluidgrenswaarden gelijk zijn aan de geluidgrenswaarden zoals die in de op 4 augustus 1998 verleende oprichtingsvergunning zijn opgenomen. Volgens verweerder hebben er recentelijk geen wijzigingen in de omgeving van de inrichting plaatsgevonden die aanleiding geven om de geluidgrenswaarden te herzien.

2.13.3. In hoofdstuk 4 van de Handreiking is bepaald dat, zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld, bij het opstellen van geluidvoorschriften in het kader van de vergunningverlening gebruik moet worden gemaakt van de oude systematiek van richt- (voorheen streef-) en grenswaarden zoals die in de Circulaire Industrielawaai van 1979 was opgenomen. Voorts is hierin bepaald dat bij vergunningverlening voor bestaande inrichtingen bij herziening van vergunningen de richtwaarden volgens tabel 4 steeds opnieuw worden getoetst. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

2.13.4. Niet in geschil is dat de inrichting is gelegen in een landelijke omgeving. In tabel 4 in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn als richtwaarden voor een landelijke omgeving opgenomen 40, 35 en 30 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De door verweerder in voorschrift 4.1.1 opgenomen grenswaarden zijn hoger dan de richtwaarden. Voorts eindigt de nachtperiode en begint de dagperiode in de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 om 06.00 uur, terwijl in de Handreiking wordt uitgegaan van het einde van de nachtperiode en begin van de dagperiode om 07.00 uur.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder bij de vaststelling van de grenswaarden aansluiting gezocht bij de op 4 augustus 1998 krachtens de Wet milieubeheer verleende oprichtingsvergunning. Vergunningverlening leidt echter tot nieuwe activiteiten in de inrichting. Voorts stelt de Afdeling vast dat in de onderliggende vergunning de beoordelingspunten zich bevinden ter hoogte van de dichtstbijgelegen woningen en - voorzover binnen een afstand van 50 meter van bebouwde delen van de inrichting geen woningen aanwezig zijn - op 50 meter van bebouwde delen van de inrichting, terwijl in de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 de beoordelingspunten zijn gelegen op 50 meter uit de grens van de inrichting. Dit leidt ertoe dat op grond van de nieuwe vergunning een hogere geluidbelasting op de omgeving van de inrichting is toegestaan. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hij een hogere geluidbelasting op de omgeving van de inrichting aanvaardbaar acht. Door zonder meer aansluiting te zoeken bij de in de oprichtingsvergunning opgenomen grenswaarden heeft verweerder miskend dat in de systematiek van de door hem gehanteerde Handreiking uitgangspunt is dat bij verandering van de vergunning steeds opnieuw aan de hierin opgenomen richtwaarden dient te worden getoetst. Verweerder heeft evenmin onderzoek verricht naar het referentieniveau in de omgeving van de inrichting, noch heeft hij onderzoek gedaan naar de te verwachten geluidbelasting vanwege de inrichting, teneinde de noodzaak van het opnemen van hogere geluidgrenswaarden of het om 06.00 uur laten beginnen van de dagperiode te motiveren.

Verweerder heeft eerst na het nemen van het bestreden besluit een onderzoek naar de te verwachten geluidbelasting die door de inrichting zal worden veroorzaakt laten verrichten door Stroop raadgevend ingenieurs. Blijkens het door dit bureau uitgevoerd akoestisch onderzoek van 4 september 2002, no. 02168500, behoeft voor geluidhinder vanwege de inrichting niet te worden gevreesd. Blijkens het advies van de Stichting advisering bestuursrechtspraak kan uit dit rapport worden opgemaakt dat bij een representatieve bedrijfssituatie de geluidbelasting zodanig zal zijn dat zal kunnen worden voldaan aan de in de Handreiking opgenomen grenswaarden voor een landelijke omgeving en dat het laten beginnen van de dagperiode om 06.00 uur, zoals opgenomen in de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 evenmin noodzakelijk is. Ter zitting heeft verweerder erkend dat als grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau de in de Handreiking opgenomen richtwaarden voor een landelijke omgeving aan de vergunning hadden kunnen worden verbonden, die lager zijn dan de grenswaarden die hij bij het bestreden besluit aan de vergunning heeft verbonden. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart en in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

2.14. Appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 stellen geluidhinder te vrezen veroorzaakt door het verkeer naar en afkomstig vanuit de inrichting.

2.14.1. Verweerder heeft de van de inrichting te duchten geluidhinder veroorzaakt door het aan- en afrijdende verkeer beoordeeld volgens de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, kenmerk MBG 96006131, inzake “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting” (hierna: de circulaire).

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder een indicatieve berekening gemaakt waaruit is gebleken dat de in de circulaire opgenomen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet zal worden overschreden, hetgeen wordt bevestigd door voornoemd akoestisch rapport van Stroop raadgevend ingenieurs van 4 september 2002. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor indirecte geluidhinder niet behoeft te worden gevreesd.

2.14.2. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2. Verweerder dient in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.15. Verweerder dient ten aanzien van appellant sub 3 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten van appellanten sub 1 en sub 2 die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Opsterland van 5 februari 2002, kenmerk 01-06, voorzover het de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 betreft;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Opsterland op binnen 8 weken na de verzending van deze uitspraak, met inachtneming daarvan, in zoverre een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart de beroepen van appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Opsterland in de door appellant sub 3 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Opsterland te worden betaald aan appellant sub 3;

VI. gelast dat de gemeente Opsterland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor appellanten sub 1, € 218,00 voor appellante sub 2 en € 109,00 voor appellant sub 3) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H. Beekhuis en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Taal

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

325.