Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3904

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200202923/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202923/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] e.a., allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2002, kenmerk 2002-005, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een vleeskalverenhouderij op het perceel [locatie]. Dit besluit is ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 30 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.J. Spoelstra, gemachtigde,

en verweerder, vertegenwoordigd door J.W. Kloppenburg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Tevens is daar vergunninghoudster, in persoon, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 350 stuks vleeskalveren.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten betogen in het kader van stankhinder dat aan de minimaal aan te houden afstand van 85 meter tot een categorie III-object niet kan worden voldaan.

2.3.1. Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft verweerder de brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd.

Verweerder stelt dat het emissiepunt op 85 meter van het dichtstbijgelegen categorie III-object zal worden gesitueerd, zodat aan de minimaal aan te houden afstand wordt voldaan.

2.3.2. Niet in geschil is dat het dichtst bij de inrichting gelegen stankgevoelige categorie III-object de woning aan [locatie] is. Voorts staat vast dat het aantal dieren overeenkomt met 350 mestvarkeneenheden, waarbij een minimaal aan te houden afstand van 85 meter geldt.

De Afdeling is van oordeel dat door appellanten niet aannemelijk is gemaakt noch anderszins is gebleken dat aan voornoemde minimaal aan te houden afstand ingevolge de Richtlijn niet kan worden voldaan. Het bezwaar treft geen doel.

2.4. Appellanten hebben bezwaren met betrekking tot cumulatieve stankhinder aangevoerd. Zij betogen dat verweerder bij de beoordeling van deze stankhinder de inrichting aan de [locatie] ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Voorts betogen appellanten dat verweerder in het bestreden besluit het rapport “Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij” (Publicatiereeks Lucht 46, hierna: het rapport) verkeerd heeft toegepast, nu hij de relatieve bijdrage van de inrichting aan de [locatie] ten onrechte als verwaarloosbaar heeft aangemerkt en niet bij de beoordeling heeft betrokken.

2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vergunning voor de inrichting aan de [locatie] op grond van artikel 27, eerste lid, van de Hinderwet voor het kuikenmesterijgedeelte van rechtswege is vervallen en dat de inrichting voor het overige valt onder de werking van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer. Voorts stelt hij dat bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder uitgegaan moet worden van het veebestand zoals dat in de inrichting werd gehouden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Op dat moment zouden in de inrichting aan de [locatie] geen dieren zijn gehouden waarvoor in de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden zijn opgenomen. Daarom kan volgens verweerder voornoemde inrichting niet bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder worden betrokken.

Wat betreft de inrichting aan de [locatie] stelt verweerder zich op het standpunt dat de relatieve bijdrage van deze inrichting verwaarloosbaar moet worden geacht. Bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder moet deze inrichting derhalve buiten beschouwing worden gelaten, aldus verweerder. Nu overigens binnen 500 meter van de woning aan de [locatie] niet is gebleken van inrichtingen die een cumulatieve bijdrage op die woning leveren, behoeft volgens verweerder geen verdere toepassing aan het rapport te worden gegeven.

2.4.2. Verweerder heeft voor de beoordeling van de cumulatieve stankhinder het rapport gehanteerd.

Het in het rapport gehanteerde rekenmodel komt erop neer dat per stankgevoelig object een optelsom moet worden gemaakt van de relatieve bijdragen van de relevante inrichtingen. Volgens het rapport is in een geval als het onderhavige sprake van een onaanvaardbare cumulatie van stankhinder wanneer de som van de relatieve bijdragen de waarde van 1,5 overschrijdt.

2.4.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Afdeling ervan uit dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit binnen de inrichting aan de [locatie] geen dieren werden gehouden, zodat hij deze inrichting op goede gronden niet bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder heeft betrokken. De enkele door appellanten gestelde omstandigheid dat een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf onder de werking van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer valt voorzover niet meer dan 25 mestvarkeneenheden worden gehouden, doet hier niet aan af.

2.4.4. Onbestreden staat vast dat de relatieve bijdrage van de inrichting aan de Homear 33 op het stankgevoelige object de woning aan de [locatie] 0,01 bedraagt. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 6 november 1997, no. E03.95.0822 (aangehecht), heeft overwogen is de onnauwkeurigheid van het cumulatiemodel zodanig dat geen absolute waarde is te geven voor te verwaarlozen relatieve geurbijdragen, zij het dat een relatieve bijdrage van 0,05 of minder in ieder geval verwaarloosbaar is. De Afdeling ziet geen aanleiding thans anders te oordelen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de relatieve bijdrage van de inrichting aan de Homear 33 op goede gronden bij de beoordeling van cumulatieve stankhinder buiten beschouwing gelaten.

Gelet op het vorenstaande en nu naast de onderhavige inrichting niet is gebleken van andere inrichtingen in de omgeving die een relevante bijdrage leveren aan de cumulatieve stankhinder, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanuit het oogpunt van cumulatieve stankhinder geen aanleiding bestond de gevraagde vergunning te weigeren.

2.5. Appellanten hebben voorts bezwaren aangevoerd die verband houden met de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder. Zij zijn van mening dat de motivering van de hoogte van de piekgeluidgrenswaarden onvoldoende is. Verder stellen zij dat het ter plaatse heersende referentieniveau ten onrechte niet door verweerder is gemeten. Voorts stellen appellanten dat de laad- en losactiviteiten ten onrechte van de piekgeluidgrenswaarden gedurende de dagperiode zijn uitgezonderd.

2.5.1. Voor de beoordeling van geluidhinder heeft verweerder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en – bij gebreke van een gemeentelijke nota industrielawaai – de circulaire Industrielawaai (hierna: de circulaire) tot uitgangspunt genomen. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder onder andere de voorschriften 2.1, 2.2 en 2.3 aan de vergunning verbonden.

In voorschrift 2.1 zijn als waarden voor het equivalente geluidniveau opgenomen 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, welke overeenkomen met de streefwaarden die in de circulaire voor een landelijke omgeving, waarvan in het onderhavige geval sprake is, worden genoemd. Reeds hierom was het, anders dan appellanten betogen, niet nodig het referentieniveau van het omgevingsgeluid te meten ter bepaling van de te stellen geluidgrenswaarden.

Verder zijn in voorschrift 2.2 als waarden voor het maximale geluidniveau opgenomen 65, 60 en 55 dB(A) voor de respectievelijke perioden. Deze maximale geluidgrenswaarden zijn niet hoger dan de waarden die hiervoor in de circulaire aanvaardbaar worden geacht. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in voorschrift 2.2 neergelegde grenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken.

Wat betreft de in voorschrift 2.3 gemaakte uitzondering voor het laden en lossen van de piekgeluidgrenswaarden gedurende de dagperiode overweegt de Afdeling dat het in het algemeen toelaatbaar is laad- en losbewegingen gedurende de dagperiode uit te zonderen van de gestelde geluidgrenswaarden voor piekgeluiden, indien het niet mogelijk is door het treffen van maatregelen aan de gestelde grenswaarden te voldoen. Blijkens de stukken wordt gedurende de dagperiode slechts een enkele keer ten behoeve van de inrichting geladen en gelost. De in voorschrift 2.2 gestelde grenswaarde voor piekgeluiden in de dagperiode kan dan niet worden nageleefd. Met inachtneming hiervan moet worden geoordeeld dat verweerder zich met betrekking tot de in voorschrift 2.3 gemaakte uitzondering in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit voorschrift toereikend is en geen aanvullende voorschriften nodig zijn.

2.6. Appellanten hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

312-373.