Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200203200/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/78

Uitspraak

200203200/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Best,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 15 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam “Instituut Zorgverzekering voor Ambtenaren Nederland”, gevestigd te Nieuwegein.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2000 heeft het dagelijks bestuur van het Instituut Zorgverzekering voor Ambtenaren Nederland (hierna: het IZA) in verband met de privatisering van het gemeentelijk woningbedrijf van de gemeente Best uit de Gemeenschappelijke regeling zorgverzekering ambtenaren Nederland (hierna: de IZA-regeling) een schadeloosstelling vastgesteld, welke de gemeente Best verschuldigd is.

Bij besluit van 11 december 2000 heeft het IZA het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, voorzover het de verschuldigdheid van de schadeloosstelling betreft, en gegrond, voorzover het de vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling betreft.

Bij uitspraak van 15 april 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, voorzover het betrekking heeft op de hoogte van de schadeloosstelling, en voor het overige ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 28 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is doorgezonden naar de Raad van State en ingekomen op 11 juni 2002. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 juli 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 augustus 2002 heeft het IZA van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. G.P.F. van Duren, gemachtigde, juridisch adviseur te ‘s-Hertogenbosch, en het IZA, vertegenwoordigd door mr. A.C.H. Jansen, advocaat te Nijmegen, mr. L.M.M. Verheijen, gemachtigde, juridisch adviseur te Soest, en [gemachtigde], directeur bedrijfsvoering IZA, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 39, vierde lid, van de IZA-regeling, voorzover hier van belang, kan het algemeen bestuur bij uittreding een schadeloosstelling vaststellen.

Ingevolge het vijfde artikellid wordt de feitelijke hoogte van de in het vierde lid bedoelde schadeloosstelling in overleg tussen het algemeen bestuur en het desbetreffende bestuur vastgesteld. Daarbij kan, op verzoek van een der partijen, door beide partijen gezamenlijk een onafhankelijke deskundige worden aangewezen, wiens advies bindend is.

Ingevolge het zevende artikellid, voorzover hier van belang, is het bepaalde in het vierde en vijfde lid voorts van toepassing in geval van een ingrijpende verandering binnen een lichaam of rechtspersoon welke tot gevolg heeft dat een deel van het personeel bij een andere instelling verzekerd wordt.

2.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat, gelet op het bepaalde in artikel 39, vierde lid, van de IZA-regeling, in samenhang met het bepaalde in het zevende artikellid, in dit geval een schadeloosstelling mocht worden vastgesteld, verschuldigd door de gemeente Best. Daarbij moet, in aanvulling op hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen, nog in aanmerking worden genomen dat volgens de toelichting bij de op 1 juli 1988 ingegane wijziging van artikel 33 (lees: 39), zevende lid, van de IZA-regeling, onder een ingrijpende verandering in de inrichting van enig dienstonderdeel wordt verstaan een reorganisatie waarbij personeel overgaat naar een ander privaat-/publiekrechtelijk lichaam, hetgeen precies de situatie is, die zich in deze zaak voordoet. De omvang van het effect van de reorganisatie op de feitelijke deelname aan de IZA-regeling kan hieraan niet afdoen.

2.3. Hetgeen appellant heeft aangevoerd ter zake van de wijze van vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling, kan niet leiden tot een ander oordeel. Het IZA heeft in de beslissing op bezwaar de primaire vaststelling over de hoogte van de schadeloosstelling niet in stand gelaten. Het IZA heeft daarin tevens bepaald dat de hoogte van de schadeloosstelling opnieuw door de regiodirectie moet worden vastgesteld met inachtneming van het advies van de adviescommissie, de IZA-regeling en de billijkheid. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit in strijd is met het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zij is derhalve op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat de beslissing op bezwaar ten aanzien van de hoogte van de schadeloosstelling onvolledig is en zij heeft haar in zoverre terecht vernietigd.

De Afdeling overweegt voorts, gelijk de rechtbank, dat het in de onderhavige zaak niet op haar weg ligt een oordeel te geven over de hoogte van de schadeloosstelling, nu de daarvoor in de IZA-regeling vastgelegde procedure nog niet is afgerond.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

66-424.