Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200202528/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202528/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zundert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2002, kenmerk 2773, heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld voor de inrichting van appellante op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 29 maart 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen per telefax op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 september 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [omwonende]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en mr. A.P.E. de Brouwer, advocaat te Roosendaal, en verweerder, vertegenwoordigd door C.M.M. Huijbregts, ambtenaar van de gemeente, en ing. G.A.A.M. Rockx, gemachtigde, zijn verschenen. Door appellante is als deskundige meegebracht ir. J.P.J. Oostdijk.

Voorts is als partij gehoord [omwonende].

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de in paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure.

2.2. Ingevolge artikel 20.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de grond met betrekking tot nadere eis 6 niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Anders dan appellante betoogt vindt het beroep voorzover zich het richt tegen nadere eis 6 niet zijn grondslag in de bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit. De ingebrachte bedenkingen beperken zich immers tot de hoogte van het te produceren geluidniveau en hebben geen betrekking op de vraag of muziek ten gehore mag worden gebracht buiten de geluidbegrenzer om. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit krachtens artikel 5, eerste lid, van het Besluit nadere eisen met betrekking tot geluid gesteld voor de inrichting van appellante op het perceel [locatie]. Op deze horeca-inrichting is het Besluit van toepassing.

2.4. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, voorzover relevant, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage van het Besluit opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

In voorschrift 4.1.4 van de bijlage is onder meer bepaald dat het bevoegd gezag, teneinde te bereiken dat aan de voorgeschreven geluidgrenswaarden wordt voldaan, een nadere eis kan stellen ten aanzien van het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting.

Ingevolge artikel 1, onder g, van het Besluit wordt onder equivalent geluidniveau verstaan het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01, van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uit 1981 (hierna: de Handleiding).

Ingevolge de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis onder 1 in samenhang bezien met de nadere eis onder 3 moet de geluidbegrenzer in de inrichting worden ingesteld op een ten hoogste te produceren muziekgeluidniveau binnen de inrichting van 91 dB(A) tussen 07.00 uur en 19.00 uur, 86 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur en 81 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur.

2.5. Appellante betoogt dat de door verweerder opgelegde nadere eis onder 1 wat betreft het geluidniveau in de nachtperiode te laag is vastgesteld. Dit niveau dient 85 dB(A) te zijn, nu uit het akoestisch rapport van Peutz & Associes van 22 mei 2001, kenmerk H1810-1, (hierna: het rapport Peutz) is gebleken dat bij dit geluidniveau aan de voorschriften uit het Besluit wordt voldaan, aldus appellante. Verder stelt appellante dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende geluidmeting achterhaald is omdat sinds het uitvoeren van deze geluidmeting wijzigingen hebben plaatsgevonden aan de permanente muziekinstallatie, waardoor de overdrachtsdemping hoger is geworden.

De door appellante meegebrachte deskundige heeft ter zitting verklaard dat uit het rapport van Peutz blijkt dat om aan de geluidnormen uit voorschrift 1.1.1. uit bijlage B van het Besluit te kunnen voldoen het geluidniveau gedurende de nachtperiode in de inrichting maximaal 85 dB(A) mag bedragen. Verder heeft hij verklaard dat verweerder bij zijn metingen geen rekening heeft gehouden met het stoorgeluid.

2.6. Volgens verweerder is de door appellante gehanteerde norm van 85 dB(A) voor de nachtperiode niet maatgevend omdat deze norm is bepaald vanuit een vrij opgestelde geluidinstallatie.

2.7. Uit een in opdracht van verweerder door de Regionale Milieudienst West-Brabant uitgevoerde geluidmeting van 20 augustus 2001 blijkt dat indien het geluidniveau binnen de inrichting in de nachtperiode hoger is dan 81 dB(A) de ingevolge voorschrift 1.1.1. uit Bijlage B van het Besluit geldende geluidgrenswaarde voor de nachtperiode wordt overschreden. Verweerder heeft deze geluidmeting van 20 augustus 2001 ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt en ook overigens is niet gebleken dat deze geluidmeting niet conform de Handleiding is uitgevoerd. Het betoog van appellante dat bij deze meting geen rekening is gehouden met het stoorgeluid faalt, nu uit het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak blijkt dat, conform de Handleiding, bij optredend stoorgeluid de meting is gestaakt.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid de nadere eis tot plaatsing van een geluidbegrenzer die is gelimiteerd op een niveau van 81 dB(A) in de nachtperiode heeft kunnen stellen. De stelling van appellante dat de meting van verweerder achterhaald is omdat na het uitvoeren van die geluidmeting wijzigingen in de permanente muziekinstallatie hebben plaatsgevonden doet hier niet aan af nu uit een geluidmeting van verweerder van 3 juli 2002 opnieuw is gebleken dat het ten hoogste toegestane geluidniveau in de inrichting met uitgeschakelde geluidboxen in de toiletgroep niet meer dan 81 dB(A) gedurende de nachtperiode mag bedragen.

2.8. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de nadere eis 6 betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

312-396.