Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3894

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
200203239/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/1212

Uitspraak

200203239/1.

Datum uitspraak: 5 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging "Vereniging Milieudefensie", gevestigd te Amsterdam, en [appellant sub 1a], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerde,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkrundveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Heerde. De gevraagde vergunning is geweigerd voor het houden van 10 stuks melkkoeien en 22 stuks jongvee. Dit besluit is op 8 mei 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 14 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2002, en appellant sub 2 bij brief van 13 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 15 juli 2002. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 9 juli 2002.

Bij brief van 1 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghouder en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, gemachtigde, appellant sub 2, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J. Tolsma, F. Vorselman en P. Jansen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 40 stuks melkrundvee en 8 stuks jongvee. Ten behoeve van de onderhavige inrichting is eerder bij besluit van 16 juni 1982 een oprichtingsvergunning krachtens de Hinderwet verleend.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten sub 1 hebben de grond inzake het aan het bestreden besluit verbonden voorschrift 2.2 niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 1 redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 1 ten aanzien van voornoemde grond niet-ontvankelijk is.

2.2.1. Appellanten sub 1 zijn van mening dat verweerder niet alle ter inzage gelegde stukken conform artikel 3:22, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan hen heeft toegezonden.

2.2.2. Ingevolge artikel 3:22, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschrift van de ter inzage gelegde stukken verstrekt.

2.2.3. Verweerder betoogt dat hij afschriften van alle ter inzage gelegde stukken, die door appellanten sub 1 zijn opgevraagd, aan de gemachtigde van appellanten heeft verstrekt. Tijdens het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat dit anders zou zijn. Voorts heeft de gemachtigde van appellanten sub 1 ter zitting gesteld in het bezit te zijn van onder andere de aanvraag, de tekening van de inrichting, het ontwerp van het besluit en de daarbij behorende voorschriften. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Afdeling van enig handelen in strijd met artikel 3:22 van de Algemene wet bestuursrecht door verweerder niet gebleken. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. Ten aanzien van de beroepsgrond van appellanten sub 1 dat niet duidelijk is welke van de ter inzage gelegde stukken bij de aanvraag behoren, overweegt de Afdeling dat zowel uit de stukken als uit het verhandelde ter zitting blijkt dat slechts de tekening (met werknummer 2001-047, gedateerd 14 februari 2001, gewijzigd 1 juni 2001, en voorzien van een handtekening van vergunninghouder) bij de aanvraag behoort. Voorts is duidelijk dat het ter inzage gelegde geluidrapport niet tot de aanvraag behoort, nu dit rapport in opdracht van verweerder is uitgevoerd. Dit beroepsonderdeel treft derhalve geen doel.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

In artikel 27, eerste lid, van de Hinderwet, zoals dat tot 1 maart 1993 luidde, is bepaald dat de vergunning vervalt indien de inrichting niet binnen drie jaren na het onherroepelijk worden van de vergunning voltooid en in werking is gebracht.

2.5. Appellanten sub 1 en appellant sub 2 betogen dat verweerder de bestaande rechten te hoog heeft vastgesteld. Zij zijn van mening dat de bestaande rechten overeenkomen met 10 stuks melkrundvee, zoals uit de vergunning van 1982 en de daarbij behorende aanvraag blijkt. Verder voeren appellanten aan dat de inrichting niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning uit 1982 is opgericht en in werking gebracht, omdat een aantal stallen niet tijdig is gerealiseerd. Hierdoor zijn tevens de vergunde rechten voor het melkrundvee dat hierin zouden worden gehuisvest, komen te vervallen.

2.5.1. Verweerder betoogt dat als bestaand recht moet worden uitgegaan van 31 stuks melkrundvee, 26 stuks jongvee en 1 stier. Hij baseert zich hierbij op de gegevens van de meitellingen over de jaren 1980 tot en met 1999. Verweerder is van mening dat de in de vergunning van 1982 genoemde 10 stuks melkrundvee berust op een verschrijving. Het is naar zijn mening niet reëel om uit te gaan van de bij de aanvraag uit 1981 behorende nauwkeurige beschrijving. Voorts stelt hij dat de tekening weliswaar geen dieraantallen of dierplaatsen bevat, maar dat uit de tekening wel het aantal mogelijk te houden dieren kan worden afgeleid.

2.5.2. Om de omvang van de bestaande rechten te bepalen is, gelet op artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, de eerder vergunde situatie bepalend en niet de feitelijk bestaande situatie die niet in overeenstemming is met de vergunning. Indien de vergunning zelf geen aanduiding geeft van de omvang van het te houden veebestand, is het veebestand zoals vermeld in de (nauwkeurige beschrijving van de) aanvraag bepalend. Eerst wanneer uit het aanvraagformulier niet duidelijk blijkt op welke aantallen dieren de vergunning ziet, kan betekenis worden toegekend aan de tekening.

De vergunning uit 1982 bevat geen vermelding van het aantal dieren. Uit de bij de aanvraag uit 1981 behorende nauwkeurige beschrijving blijkt dat vergunninghouder 10 stuks melkrundvee heeft aangevraagd. Op de bij voornoemde aanvraag behorende tekening is geen vermelding gemaakt van het aantal te houden dieren of dierplaatsen. Deze tekening biedt, in tegenstelling tot hetgeen verweerder en vergunninghouder betogen, ook anderszins geen aanknopingspunten over het aantal te houden dieren.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 februari 2002, no. 200102502/1, reeds vastgesteld dat de vergunning van 1982 betrekking heeft op het houden van 10 stuks melkrundvee. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling thans geen aanleiding voor een ander oordeel. Hetgeen verweerder en vergunninghouder op dit punt hebben aangevoerd, maakt dit niet anders.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte beroepen op bestaande rechten voor het houden van 31 stuks melkrundvee, 26 stuks jongvee en 1 stier. Het bestreden besluit ontbeert op dit punt derhalve een deugdelijke motivering en is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.3. Wat betreft de door appellanten aangevoerde strijd met artikel 27, eerste lid, van de Hinderwet, overweegt de Afdeling dat het in beginsel op de weg van appellanten ligt om feiten en omstandigheden aan te voeren welke althans een begin van bewijs opleveren voor de juistheid van de stelling dat de onderliggende vergunning is vervallen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt en ook overigens is niet gebleken dat de in 1982 vergunde stallen niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning zouden zijn opgericht en in werking gebracht, zodat moet worden aangenomen dat op grond van voornoemd artikel geen rechten zijn vervallen.

2.6. Het beroep is gelet op rechtsoverweging 2.5.2, voorzover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu de bestaande rechten bepalend zijn voor de vraag voor welk veebestand vergunning kan worden verleend, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 1 niet-ontvankelijk voorzover het betreft het aan het bestreden besluit verbonden voorschrift 2.2;

II. verklaart het beroep van appellanten sub 1 voor het overige alsmede het beroep van appellant sub 2 gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerde van 23 april 2002;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heerde in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 voor appellanten sub 1, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot een bedrag van € 322,00 voor appellant sub 2, welk bedrag eveneens geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Heerde te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de gemeente Heerde aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 voor appellanten sub 1 en € 109,00 voor appellant sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2003

159-374.