Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3550

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200103915/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 64K
Module Ruimtelijke ordening 2003/5556
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103915/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen,

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 25 november 1997, kenmerk 97-714529, 97-714546 en 97-714549, hebben verweerders krachtens artikel 66 van de Wet geluidhinder hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van gevels van een aantal woningen in Haarlemmerliede-Spaarnwoude, Zaanstad en Amsterdam vastgesteld vanwege het industrieterrein Westpoort.

Bij besluit van 14 mei 1998, kenmerk 98-140011, verzonden op diezelfde dag, hebben verweerders het door appellanten tegen die besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Naar aanleiding van het beroep van appellanten heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 mei 2000. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Bij brief van 18 januari 1999 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 15 januari 2001, no. E03.98.0851, het beroep van appellanten gegrond verklaard en het besluit van 14 mei 1998 vernietigd.

Bij besluit van 26 juni 2001, kenmerk 2001-3006, verzonden op 28 juni 2001, hebben verweerders opnieuw op het tegen de besluiten van 25 november 1997 ingediende bezwaar beslist en het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 september 2001.

Bij brief van 20 december 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, gemachtigde, zijn verschenen.

Voorts zijn burgemeester en wethouders van Amsterdam als partij gehoord, vertegenwoordigd door mr. C.C. Geradts, gemachtigde, [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting is het beroep ingetrokken voorzover ingesteld namens 11 van de appellanten. Hierdoor is de beroepsgrond die betrekking heeft op de [locatie sub 1] vervallen.

Ter zitting is verder ingetrokken de beroepsgrond die betrekking heeft op de woning [locatie sub 2].

2.2. Ingevolge artikel 65 van de Wet geluidhinder is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, van de gevel van woningen die op het tijdstip van de vaststelling van een zone krachtens of met overeenkomstige toepassing van artikel 53 binnen de zone aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd zijn, 55 dB(A), tenzij op dat tijdstip de geluidsbelasting van bedoelde woningen lager is dan of gelijk is aan 50 dB(A), in welk geval de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting 50 dB(A) is. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet met betrekking tot binnen de zone aanwezige of in aanbouw zijnde woningen die op het bedoelde tijdstip reeds een hogere geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, ondervinden dan 55 dB(A).

Ingevolge artikel 66 van de Wet geluidhinder kunnen gedeputeerde staten in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen en - ingeval de zone door hen wordt vastgesteld - uit eigen beweging, voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevels van de in artikel 65 bedoelde woningen een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde voor wat geprojecteerde woningen betreft 55 dB(A) en voor wat aanwezige of in aanbouw zijnde woningen betreft 60 dB(A) niet te boven mag gaan. De artikelen 47, tweede tot en met vijfde lid, en 51 zijn van overeenkomstige toepassing.

2.2.1. Het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen (hierna: het Besluit) geeft onder meer uitvoering aan artikel 66 van de Wet geluidhinder.

Ingevolge het derde lid van artikel 3 van het Besluit kunnen gedeputeerde staten met betrekking tot aanwezige of in aanbouw zijnde woningen toepassing geven aan artikel 66 van de wet in gevallen als bedoeld in het tweede lid, onder a, b en c, indien de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege het industrieterrein, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot 50 dB(A) onderscheidenlijk 55 dB(A) onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit kunnen verweerders toepassing geven aan artikel 47, tweede lid, in die gevallen waarin:

a. het referentieniveau ter plaatse van de uitwendige scheidingsconstructie van de woningen waarvoor de hogere waarde is verzocht, hoger is dan of gelijk is aan het equivalente geluidsniveau vanwege het betrokken industrieterrein;

b. de woningen ter plaatse noodzakelijk zijn om redenen van grond- of bedrijfsgebondenheid, of

c. de ligging van de geluidsbronnen op het betrokken industrieterrein zodanig is dat de geluidsbelasting, vanwege dit industrieterrein en vanwege andere geluidsbronnen, van ten minste één uitwendige scheidingsconstructie van elk van de woningen lager is dan of gelijk is aan 50 dB(A).

In artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit is bepaald dat het verzoek en het ontwerp van het verzoek ten minste een beschrijving van de mogelijkheden moeten bevatten om de geluidsbelasting van de woningen tot een lagere waarde te verminderen dan de verzochte hogere waarde, alsmede een schatting van de hieraan verbonden extra kosten.

2.3. Bij koninklijk besluit van 23 juni 1993, nummer 93.005090, is rondom het industrieterrein Westelijk Havengebied (thans: Westpoort) een zone vastgesteld waarbuiten de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein niet meer mag bedragen dan een etmaalwaarde van 50 dB(A). Omdat in het westelijk deel van het industrieterrein geen bedrijven kunnen worden gevestigd zonder dat de ingevolge artikel 65 van de Wet geluidhinder geldende voorkeursgrenswaarden worden overschreden, heeft de directeur van het Gemeentelijk Havenbedrijf namens burgemeester en wethouders een verzoek om vaststelling van hogere waarden gedaan.

Bij de besluiten van 25 november 1997, gehandhaafd bij het bestreden besluit, hebben verweerders hogere waarden als bedoeld in artikel 66 van de Wet geluidhinder vastgesteld voor de gevels van 40 woningen, die zijn gelegen binnen de vastgestelde geluidszone. Daarbij is ervan uitgegaan dat sprake is van gevallen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b en c en van een combinatie van a en c, van het Besluit.

2.4. De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit inhoudelijk niet verschilt van het besluit van 14 mei 1998. Het ter zake van dat besluit uitgebrachte deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak kan dan ook bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken.

2.5. Voorzover het beroep is ingesteld namens [appellant], wonend aan de [locatie sub 3], overweegt de Afdeling dat voor de gevel van de woning [locatie sub 3] geen hogere waarde is vastgesteld. Nu niet is gesteld of gebleken dat er een bijzondere, rechtens te erkennen, relatie bestaat tot een of meer woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld, moet worden geoordeeld dat de belangen van deze appellant niet rechtstreeks bij een van de besluiten van 25 november 1997 zijn betrokken en dat verweerders het bezwaar van deze appellant daarom niet-ontvankelijk hadden moeten verklaren.

2.6. Appellanten hebben aangevoerd dat het verzoek om vaststelling van de hogere waarden niet voldoet aan artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit. Verweerders hebben naar hun mening ook op geen enkele wijze onderzocht of in het concrete geval bronmaatregelen kunnen worden getroffen. Nu de inrichting van het industrieterrein ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet vaststond, waren verweerders overigens ook niet in staat om na te gaan of geluidhinder door middel van maatregelen kan worden beperkt, aldus appellanten. Verweerders hebben de hogere waarden naar hun mening ten onrechte alleen op prognoses omtrent de mogelijke feitelijke geluidsbelasting vanwege het industrieterrein gebaseerd.

2.6.1. In de toelichting op het verzoek om vaststelling van hogere waarden is vermeld dat bij de voorgestane invulling van het gebied ervan is uitgegaan dat de zwaardere bedrijven zo ver mogelijk van de betrokken woningen zullen worden gesitueerd en dat de minder geluid producerende bedrijven aan de rand van het terrein worden gesitueerd. Verder is voor de te vestigen bedrijven uitgegaan van de toepassing van de stand der techniek, dat wil zeggen dat deze bedrijven geluidsbeperkende maatregelen treffen, die op basis van de beschikbare technieken leiden tot een zo laag mogelijke geluidemissie. Het wordt niet mogelijk geacht de geluidsbelasting door middel van het treffen van bronmaatregelen nog verder terug te dringen. Met betrekking tot de mogelijkheid overdrachtsmaatregelen te treffen is in de toelichting op het verzoek uiteengezet dat het plaatsen van geluidsschermen en -wallen onvoldoende doeltreffend is, dan wel bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard ontmoet.

Verweerders hebben zich blijkens het bestreden besluit, waarin is verwezen naar het advies van de Hoor- en adviescommissie, op het standpunt gesteld dat de geluidsoverlast van het industrieterrein alleen voldoende is te beperken met bronmaatregelen indien elke geluidsbron afzonderlijk of het industrieterrein als geheel wordt ingepakt. De omstandigheid dat de geluidsbelasting niet op metingen maar op veronderstellingen is gebaseerd, is volgens verweerders het gevolg van de omstandigheid dat het industrieterrein nog niet is ingevuld.

Gezien de in het verzoek vermelde gegevens, voorzover deze de mogelijkheden om de geluidsbelasting verder te beperken betreffen, hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verzoek voldoende is gemotiveerd om op basis daarvan een beslissing te kunnen nemen. De Afdeling is verder van oordeel dat de Wet geluidhinder zich er niet tegen verzet dat hogere waarden als bedoeld in artikel 66 van die wet worden vastgesteld voordat het betrokken industrieterrein volledig is ingevuld. Om de verdere ontwikkeling van het industrieterrein mogelijk te maken hebben verweerders de hogere waarden dan ook kunnen baseren op prognoses ten aanzien van het toekomstige gebruik van het terrein. Het beroep slaagt in zoverre niet.

2.7. Appellanten hebben aangevoerd dat onvoldoende inzicht bestaat of de gevallen, genoemd in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a en c, van het Besluit, zich daadwerkelijk voordoen. De akoestische rapporten die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen bevatten hierover geen gegevens.

Tegen het bestreden besluit, voorzover dat betrekking heeft op de woningen waarvoor de ontheffingsgrond “geluidsluwe gevel”, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder c, van het Besluit zou gelden, hebben zij verder aangevoerd dat ten onrechte is aangenomen dat een geluidsbelasting vanwege luchtverkeer van 35 Kosteneenheden (Ke) kan worden gelijkgesteld met een geluidsniveau van 50 dB(A). Volgens hen is de waarde in dB(A)’s aanzienlijk hoger, zodat een geluidsbelasting op een gevel van minder dan 50 dB(A) zich niet zal voordoen. Verder is, anders dan waarvan verweerders zijn uitgegaan, bij een aantal woningen sprake van een hogere geluidsbelasting dan 35 Ke vanwege het luchtverkeer.

Appellanten hebben eveneens aangevoerd dat verweerders in strijd met de Wet geluidhinder en het Besluit voor een aantal woningen twee ontheffingsgronden tegelijkertijd hebben gehanteerd. Zij zijn bovendien van mening dat verweerders in strijd met artikel 157 van de Wet geluidhinder en artikel 1a van het Besluit geen rekening hebben gehouden met de cumulatie van industrielawaai en luchtvaartlawaai.

2.7.1. Verweerders hebben vanwege het ontbreken van ministeriële rekenregels voor de cumulatie van geluid, voor de beantwoording van de vraag of gevels van woningen geluidsluw zijn aansluiting gezocht bij de voorkeursgrenswaarde voor luchtverkeerslawaai van 35 Ke. Woningen die buiten de 35 Ke-contour van Schiphol zijn gelegen, hebben volgens verweerders een geluidsluwe gevel. Zij betwisten niet dat 35 Ke niet gelijk is aan 50 dB(A). Ke’s zijn echter niet eenvoudig om te rekenen in dB(A)’s. Uit de systematiek van de Luchtvaartwet volgt naar hun mening dat een door de luchtvaart veroorzaakte geluidsbelasting van 35 Ke of minder aanvaardbaar is.

Voor de woningen die zijn gelegen binnen de 35 Ke-contour geldt volgens verweerders het zogenoemde combinatiecriterium; wordt geen, dan wel onder akoestisch gunstige omstandigheden gebruik gemaakt van de Zwanenburgbaan, die bepalend is voor de contouren ter plaatse, dan geldt de ontheffingsgrond genoemd in artikel 3, tweede lid, onder c, van het Besluit; wordt de Zwanenburgbaan onder akoestisch ongunstige omstandigheden gebruikt voor de luchtvaart, dan geldt de ontheffingsgrond genoemd onder artikel 3, tweede lid, onder a, van het Besluit. De Wet geluidhinder en het Besluit verzetten zich naar de mening van verweerders niet tegen deze gecombineerde ontheffingsgrond. Verweerders hebben zich verder op het standpunt gesteld dat toepassing van artikel 3 van het Besluit niet leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting van de woningen binnen de 35 Ke-contour, omdat deze woningen een geluidsbelasting vanwege luchtverkeer kunnen ondervinden van omgerekend 60 tot 70 dB(A) en het luchtvaartlawaai in dat geval het industrielawaai volledig maskeert.

Blijkens het bestreden besluit zijn er 11 woningen die vóór 2003 buiten de 35 Ke-contour liggen, maar vanaf 2003 binnen die contour komen te liggen. Vanaf dat moment geldt voor deze woningen niet meer het criterium “geluidsluwe gevel”, maar het combinatiecriterium.

2.7.2. Ingevolge artikel 25a van de Luchtvaartwet in samenhang met artikel 2 van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart mag buiten de vastgestelde geluidszone rond Schiphol de geluidsbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen de grenswaarde van 35 Ke niet overschrijden. In artikel 157, eerste lid, aanhef en onder a, eerste volzin, van de Wet geluidhinder, voorzover hier van belang, is bepaald dat, indien Afdeling 2, paragraaf 2 van hoofdstuk V van toepassing is op woningen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 41, 53, 74, 106 en 108 van deze wet en artikel 25a, eerste lid, van de Luchtvaartwet, gedeputeerde staten ervoor zorgdragen dat voldoende aandacht wordt geschonken aan de noodzakelijke onderlinge afstemming en samenhang van de te onderscheiden te treffen maatregelen.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de Minister ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid kan bepalen dat bij de berekening en meting van de onderscheidene geluidsbelastingen van de gevels van woningen op de resultaten een door hem aan te geven correctie kan worden toegepast.

Ingevolge artikel 1a van het Besluit geven gedeputeerde staten, indien artikel 157 van de wet van toepassing is, slechts toepassing aan de artikelen 2, 2a, 3, 3a, 5, 6 en 7a, voorzover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 157, derde lid, van de wet niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.

2.7.3. Ten aanzien van de woningen waarvoor verweerders hogere grenswaarden hebben vastgesteld met toepassing van het criterium “geluidsluwe gevel” overweegt de Afdeling het volgende.

De Ke-waarde is een berekende waarde voor de geluidsbelasting, veroorzaakt door alle in een periode van een jaar ter plaatse passerende vliegtuigen. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat met een geluidsbelasting van 35 Ke of minder niet is gewaarborgd dat de geluidsbelasting op de gevel van een woning gelijk is aan of lager is dan 50 dB(A). Verweerders hebben het door luchtverkeer veroorzaakte equivalente geluidsniveau ter plaatse van de woningen buiten de 35 Ke-contour niet vastgesteld. Evenmin is gebleken dat de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op de beweerdelijk geluidsluwe gevels is gemeten of berekend. Verweerders hebben ten slotte nagelaten om de geluidsbelastingen vanwege het industrieterrein en vanwege andere geluidsbronnen, waaronder de luchtvaart, op de betrokken gevels te sommeren. De akoestische rapporten geven over de gecumuleerde geluidsbelasting geen uitsluitsel. De enkele omstandigheid dat er geen ministeriële regeling is voor het berekenen van de gecumuleerde geluidsbelasting, betekent niet dat de cumulatie in het kader van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit kan uitblijven.

Gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op het deskundigenbericht, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig is voorbereid. Dit beroepsonderdeel treft daarom doel.

2.7.4. Voorzover het de woningen binnen de 35 Ke-contour betreft, hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gecumuleerde geluidsbelastingen vanwege het industrieterrein en de luchtvaart niet leiden tot een onaanvaardbare geluidsbelasting, omdat het geluid van het industrieterrein doorgaans volledig wordt gemaskeerd door het geluid van het luchtverkeer. Verweerders konden derhalve ook ten aanzien van deze woningen in beginsel toepassing geven aan artikel 3 van het Besluit.

De Afdeling is evenwel van oordeel dat verweerders met het gehanteerde combinatiecriterium een onjuiste toepassing hebben gegeven aan artikel 3, tweede lid, van het Besluit. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.

Artikel 3, tweede lid, van het Besluit geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin hogere waarden kunnen worden vastgesteld. In de gevallen genoemd in het tweede lid, onder a, is een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde mogelijk tot en met het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Dit betekent dat een zodanige geluidsbelasting vanwege het industrieterrein is toegestaan dat dit nog wordt gemaskeerd door het aanwezige omgevingsgeluid. Hierbij gaat het om de etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) met betrekking tot het industrieterrein. Het referentieniveau van de dag, avond of nacht dat leidt tot de laagste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, is bepalend. Verweerders hebben met de door hen gekozen beoordelingswijze dit laatste miskend. Zij zijn ervan uitgegaan dat ook al is het referentieniveau niet gedurende alle etmaalperioden hoger dan of gelijk aan het equivalente geluidsniveau vanwege het industrieterrein, desondanks hogere waarden kunnen worden toegestaan. Voorts kan uit de stukken worden afgeleid dat in de aan de orde zijnde gevallen evenmin gedurende de gehele etmaalperiode sprake zal zijn van een gevel waarop de gecumuleerde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein en andere geluidsbronnen lager dan of gelijk is aan 50 dB(A).

Verder volgt uit artikel 1 van het Besluit en het deskundigenbericht dat het referentieniveau in dit geval gelijk is aan het geluidsniveau in dB(A) dat gedurende 95% van de periode op een bepaalde plaats wordt overschreden, de bijdrage van het betrokken industrieterrein daaronder niet begrepen. Bij de toepassing van het combinatiecriterium is aangenomen dat ook het niveau van het omgevingsgeluid gedurende een kortere periode bepalend kan zijn. Hiermee wordt miskend dat min of meer incidenteel optredende hoge geluidsniveaus niet van belang hoeven te zijn voor de hoogte van het referentieniveau. De enkele omstandigheid dat de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op bepaalde momenten door een andere geluidsbron wordt gemaskeerd betekent niet dat is voldaan aan artikel 3, tweede lid, onder a, van het Besluit.

De Afdeling merkt ten slotte op dat verweerders het referentieniveau niet hebben bepaald en evenmin hebben onderzocht of bij de betrokken woningen daadwerkelijk sprake is van een geluidsluwe gevel.

Het beroep treft ook in zoverre doel.

2.8. Voorzover het bestreden besluit betrekking heeft op woningen waarvoor met toepassing van het criterium genoemd in artikel 3, tweede lid, onder b, van het Besluit, hogere waarden zijn vastgesteld, wordt thans nog ingegaan op de vereiste belangenafweging.

2.8.1. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerders de belangen niet goed hebben afgewogen. Naar hun mening weegt het belang van omwonenden bij een maximale bescherming tegen geluidhinder zwaarder dan de belangen van de gemeente Amsterdam bij een maximaal flexibele invulling van het toekomstige havengebied.

Appellanten hebben verder gesteld dat het onjuist is dat aan het bestreden besluit de uitkomsten van het milieu-effectrapport inzake de Afrikahaven ten grondslag zijn gelegd. Dit rapport is opgesteld in verband met het bestemmingsplan “Afrikahaven”, terwijl de hogere waarden zijn vastgesteld mede in verband met het bestemmingsplan “Ruigoord 1992”, aldus appellanten. Eerstgenoemd plan vormt slechts een onderdeel van het bestemmingsplan “Ruigoord 1992”. Hierdoor zou onvoldoende rekening worden gehouden met hun belangen.

2.8.2. Verweerders hebben gesteld dat de vaststelling van hogere waarden voortvloeit uit de vaststelling van de zone rondom het industrieterrein, waarbij is gekozen voor de industriële ontwikkeling van het gebied. Naast de vastgestelde zone is ook rekening gehouden met de resultaten van de milieu-effectrapportage Afrikahaven en met de inzichten van het bestemmingsplan. Ten gevolge daarvan zijn de waarden lager uitgevallen dan op basis van uitsluitend de zone het geval zou zijn geweest; uit het bestemmingsplan en uit het milieu-effectrapport volgde dat de zone mogelijk iets te ruim is vastgesteld.

Over de belangenafweging hebben verweerders opgemerkt dat zij bij het vaststellen van de hogere waarden natuurlijk een belangenafweging hebben gemaakt. De stelling dat de belangen van de bewoners zwaarder wegen dan de belangen van de gemeente Amsterdam achten zij in deze algemene zin niet juist. Verder heeft een belangrijk deel van de belangenafweging al in het kader van de zonevaststelling plaatsgevonden; toen is beoordeeld welke geluidsruimte de toekomstig te vestigen industrie nodig zou hebben en de belangen die daarmee samenhangen zijn afgewogen tegen de belangen van bestaande woningbouw in de zone.

2.8.3. De Afdeling overweegt dat bij de vaststelling van de zone een planologische afweging is gemaakt. Het zonebesluit is het uitgangspunt bij de vaststelling van hogere waarden. Hogere waarden kunnen als regel dan ook direct worden afgeleid uit akoestische onderzoeken die zijn verricht bij de voorbereiding van de zonevaststelling. Door in dit geval bij de vaststelling van de hogere waarden eveneens rekening te houden met nieuwe inzichten omtrent de invulling van het industrieterrein, hetgeen in het algemeen tot een verlaging van de waarden heeft geleid, hebben verweerders aan het belang van een maximale geluidsruimte voor het te ontwikkelen industrieterrein minder gewicht toegekend dan aan het belang van appellanten bij bescherming tegen geluidhinder. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat op basis van het bestemmingsplan “Ruigoord 1992” een lagere geluidsbelasting is te verwachten.

Gelet op het vorenstaande en gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de bij het vaststellen van hogere waarden te verrichten belangenafweging in dit geval onevenwichtig is geweest. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.

2.9. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd voorzover daarbij het bezwaar van [appellant] ontvankelijk is verklaard en voorzover daarbij hogere waarden zijn vastgesteld voor de – door appellanten bewoonde – woningen [locaties].

2.10. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 26 juni 2001, 2001-3006, voorzover daarbij het bezwaar van [appellant] ontvankelijk is verklaard en voorzover dat besluit betrekking heeft op de woningen [locaties];

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Provincie Noord-Holland te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de Provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Visser

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

148.