Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200202644/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202644/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2001 heeft de gemeenteraad van Landgraaf, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 augustus 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Abdissenbosch".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 april 2002, kenmerk 2002/14277, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 13 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2002, appellant sub 2 bij brief van 12 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2002, en appellanten sub 3 bij brief van 3 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 2 oktober 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2003, waar appellanten in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door

mr. L.H.M. Vorstermans, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Landgraaf, vertegenwoordigd door

mr. T. Huijten en mr. M. Hansen, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan beoogt een actuele juridische regeling te geven voor het bestaande bedrijventerrein Abdissenbosch, alsmede een regeling voor de uitbreiding van dit terrein. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan grotendeels goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten zijn woonachtig in het gedeelte van het plangebied waar de uitbreiding van het bedrijventerrein Abdissenbosch is voorzien. Zij stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan dit gedeelte van het bestemmingsplan. Appellanten voeren daartoe aan dat het plan, gelet op het verwachte exploitatietekort, niet economisch uitvoerbaar is. Ter zitting hebben zij daartoe voorts aangevoerd dat vaststaat dat niet zal worden overgegaan tot onteigening. [appellant sub 1] stelt dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein in strijd is met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg en dat de behoefte aan meer ruimte voor bedrijvigheid in het plan niet is aangetoond. [appellant sub 1], [appellanten sub 3] menen verder dat de uitbreiding van het bedrijventerrein ten koste zal gaan van beschermenswaardige flora en fauna. [appellant sub 2] voert aan dat de uitbreiding ten onrechte ten koste zal gaan van de groene buffer tussen het industriegebied en de naastliggende woonwijk. Voorts stellen appellanten dat zij ten onrechte een gedeelte van hun percelen moeten afstaan, als gevolg waarvan zij hun hobby - het houden van paarden - niet meer kunnen uitoefenen en de waarde van hun woningen zal verminderen. Appellanten stellen dat de uitbreiding van het bedrijventerrein een ernstige aantasting van hun woon- en leefgenot zal veroorzaken. Zij vrezen toenemende stankhinder en geluidhinder. [appellant sub 1] meent dat het bodemonderzoek en het geluidsonderzoek van onvoldoende kwaliteit zijn. Verder stellen appellanten dat de reeds in het gebied aanwezige slibverwerkingsinstallatie een slecht werk- en verblijfsklimaat zal veroorzaken voor de nieuw te vestigen bedrijvigheid. Tenslotte vrezen appellanten dat de uitbreiding van het bedrijventerrein een toeneming van de verkeersoverlast op de Reeweg zal veroorzaken.

2.3.1. De gemeenteraad wenst de uitbreiding van het bedrijventerrein in twee fasen te verwezenlijken. Daartoe heeft de gemeenteraad onder meer aan een gedeelte van de percelen van appellanten de bestemming "Bedrijfsdoeleinden 2" toegekend (eerste fase). Tussen de voor bedrijvigheid bestemde gronden en de ten behoeve van wonen bestemde gronden heeft hij aan een strook grond als buffer de bestemming "Groenvoorzieningen" toegekend. Voorts heeft hij aan gronden langs de Europaweg-Noord de bestemming "Recreatieve doeleinden met sportvoorzieningen" toegekend en tevens de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid bedrijfsdoeleinden 2" (tweede fase). Voor het bedrijventerrein is in het plan voorts een milieuzonering opgenomen waarbij een afstand van 50 meter tussen de te vestigen bedrijvigheid en de aanwezige woonbebouwing is aangehouden. Tevens is een geluidszone in de zin van de Wet geluidhinder vastgesteld rond het bedrijventerrein.

2.3.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

2.3.3. Ingevolge artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) heeft het gemeentebestuur de verplichting om onderzoek te verrichten ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan. De resultaten van dit onderzoek dienen ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro 1985 te worden neergelegd in de plantoelichting. In het aan de orde zijnde plan is een exploitatieopzet opgenomen met betrekking tot de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein. In deze exploitatieopzet zijn alle nog te verwerven gronden met daarbij horende kosten begrepen en is rekening gehouden met de kosten van onteigening. In dit verband is de Afdeling van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het college van burgemeester en wethouders zonodig niet van het instrument van onteigening gebruik zal maken. Voorzover een negatief exploitatiesaldo resteert, vindt dekking hiervan plaats door onttrekking aan de reserve gerealiseerde winsten grondexploitatie. Verweerder heeft zich, gelet hierop, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de economische uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd is.

2.3.4. In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: POL), in werking getreden op 23 november 2001, is een bedrijventerreinenstrategie opgenomen. Het beleid is gericht op revitalisering van bestaande terreinen en op uitbreiding van bestaande en nieuwe terreinen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in vijf categorieën bedrijventerreinen. Het beleid in het POL is voorts gericht op het minimaliseren van de milieubelasting vanuit bedrijventerreinen. Daartoe wordt gestreefd naar een goede ruimtelijke inpassing en een doordachte inrichting en ontsluiting van (nieuwe en te revitaliseren) terreinen. Ten aanzien van de stadsregio Parkstad Limburg voorziet het POL in 45 hectare aan bedrijventerrein in de categorie stedelijke terreinen in de periode tot 2010. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Landgraaf behoort tot het stedelijk deel van Parkstad Limburg. Het plan voorziet, na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid, in een uitbreiding van het terrein Abdissenbosch met ongeveer 9,8 hectare. Verweerder heeft het plan in zoverre terecht in overeenstemming met zijn beleid geacht. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op de stukken, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan anderszins in strijd is met de uitgangspunten van het POL.

Verweerder heeft verder in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de behoefte aan meer ruimte voor bedrijvigheid voldoende is aangetoond. Hij heeft hierbij de uitkomsten van de marktverkenning met betrekking tot de behoefte aan bedrijventerreinen in Limburg, die mede ten grondslag ligt aan bovengenoemde bedrijventerreinenstrategie, in aanmerking kunnen nemen. Ook blijkt de behoefte aan bedrijfskavels op het terrein uit de inventarisatie die het college van burgemeester en wethouders heeft verricht en waarvan het resultaat in de plantoelichting is beschreven.

Verweerder heeft zich, naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de aangetoonde noodzaak tot uitbreiding van het bedrijventerrein voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze uitbreiding van zodanig zwaarwegend maatschappelijk belang is dat het behoud van de semi-agrarische gronden tussen het bestaande bedrijventerrein en de dorpskern, alsmede het persoonlijk belang van appellanten bij het behoud van hun gronden voor de uitoefening van hun hobby hieraan ondergeschikt moeten worden geacht. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van appellanten betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.3.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder voorts op goede gronden het standpunt kunnen innemen dat in het plangebied geen bijzondere of zeldzame planten- en diersoorten voorkomen, die speciale bescherming genieten. Hij heeft zich daarbij kunnen baseren op de lijst van beschermde en/of bedreigde diersoorten, opgenomen in het uitvoeringsplan Nota Natuur- en Landschapsbeheer 2000-2010. Verder heeft hij hierbij het rapport van de Stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen uit april 2000 kunnen betrekken. Niet is aannemelijk geworden dat dit rapport zodanige gebreken vertoont, dat verweerder zich hierop bij het nemen van hun besluit niet had mogen baseren.

2.3.6. Ingevolge artikel 9 van de planvoorschriften worden op de gronden, waarop de uitbreiding van het bedrijventerrein is voorzien bij recht bedrijven in de milieucategorie 2 en 3 toegestaan, zoals opgenomen in de op het plangebied toegesneden lijst van bedrijfstypen uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering", waarbij een afstand van 50 meter ten opzichte van milieugevoelige bebouwing is aanbevolen. Na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden 2" zijn op de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden met sportvoorzieningen" eveneens bedrijven in voornoemde milieucategorieën toegestaan, waarbij een afstand van 50 meter moet worden aangehouden. Voorzover voor bedrijven in laatstgenoemde categorie in de lijst van Bedrijfstypen bij de planvoorschriften een afstand van 100 meter geldt ten opzichte van milieugevoelige bebouwing, kunnen deze bedrijven na verleende vrijstelling worden gevestigd, enkel op gronden binnen de op de plankaart opgenomen aanduiding "vrijstellingsbevoegdheid categorie 3-bedrijven". Vrijstelling wordt alleen verleend indien de aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad en indien de bedrijven in deze categorie niet een dusdanige indicatieve afstand kennen dat de invloed ervan de grens van het bedrijventerrein overschrijdt.

De woningen van appellanten bevinden zich op een afstand van respectievelijk ongeveer 90, 120 en 110 meter van de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden 2". Gelet op voornoemde afstanden is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat het woon- en leefklimaat van appellanten, vanuit een oogpunt van stank- en geluidhinder, door de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein onevenredig zal worden aangetast. Hij heeft hierbij betekenis kunnen toekennen aan de voorziene groenstrook van 10 meter breed tussen de gronden met de bedrijvenbestemming en de (nieuwe) achtergrens van de percelen van appellanten, alsmede aan het feit dat volgens de doeleindenomschrijving van artikel 9 bedrijven die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken van vestiging zijn uitgesloten. Voorts heeft hij terecht gewicht toegekend aan het in het kader van de opstelling van het plan verrichte bodemonderzoek en akoestisch onderzoek. Uit eerstgenoemd onderzoek volgt dat, waar de uitbreiding is voorzien, de kwaliteit van de bodem en het grondwater geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Het akoestisch onderzoek heeft voorts aangetoond dat de grenswaarde van 55 dB(A) ter hoogte van de woningen van appellanten niet wordt overschreden. De Afdeling is, mede gelet op het gestelde in het deskundigenbericht, van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze onderzoeken zodanige gebreken vertonen dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren.

2.3.7. De Afdeling acht evenmin aannemelijk gemaakt dat de aanwezige slibverwerkingsinstallatie in ernstige mate een verslechtering van het werk- en verblijfsklimaat zal veroorzaken voor de nog te vestigen bedrijvigheid. Zij neemt hierbij in aanmerking dat het plan rondom de installatie voorziet in een hinderzone van 50 meter, waarbinnen zich geen bedrijven mogen vestigen die zijn gericht op het vervaardigen van voedingsmiddelen en dranken. Voorts is voor de installatie een milieuvergunning en een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend.

2.3.8. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, voorts geen aanleiding om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein niet tot een zodanige toeneming van verkeersbewegingen zal leiden dat hierdoor het woon- en leefklimaat van appellanten wezenlijk zal verslechteren. Hij heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat de omvang van de uitbreiding van het bedrijventerrein in verhouding tot het reeds bestaande bedrijventerrein beperkt is, zodat de toeneming van de verkeersbelasting ten gevolge van de uitbreiding in verhouding tot de reeds bestaande verkeersbelasting op de Reeweg gering zal zijn. Voorts zal, blijkens de plankaart, de ontsluiting van de uitbreiding geschieden via de Abdissenboschweg aan de noordzijde van het plangebied, waardoor aannemelijk is dat een gedeelte van het verkeer, afkomstig van de uitbreiding, zal worden afgewikkeld via de Europaweg-Noord zonder dat de Reeweg wordt aangedaan.

2.3.9. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit gedeelte van het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en drs. G.A. Posthumus, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

218-392.