Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3539

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200203818/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203818/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse het uitwerkingsplan "Lisse-Noord, locatie Beelen" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 juni 2002, kenmerk DRM/ARB/02/3365A, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 16 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [partij 1] en [partij 2]. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.P. Otte, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.M. Hemelaar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn aldaar namens het college van burgemeester en wethouders M.A.M. Randsdorp, ambtenaar van de gemeente, en namens [partij 1] en [partij 2] mr. H.S. Weeda, gemachtigde, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een uitwerking van gronden met de bestemming “Uit te werken bedrijventerrein (UB)” van het bestemmingsplan “Lisse-Noord” ten behoeve van de ontwikkeling van een bedrijfsgebouw.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten voeren in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan. Hiertoe stellen zij onder meer dat het college van burgemeester en wethouders met de toegestane bouw- en nokhoogte buiten de grenzen van de uitwerkingsregels is getreden. Maat en schaal zijn niet passend en veroorzaken bovendien een aanmerkelijke schaduwhinder en een verminderd uitzicht. Ook vrezen zij dat bebouwing tot gevolg heeft dat in de toekomst over hun terrein een tweede ontsluitingsweg voor het bedrijventerrein zal worden aangelegd.

2.3.1. Het college van burgemeester en wethouders heeft met het uitwerkingsplan ter plaatse een grotere bouw- en nokhoogte vastgesteld dan is vermeld op de bestemmingsplankaart. Hierdoor wordt meervoudig ruimtegebruik mogelijk gemaakt en kan de functionaliteit van het voorziene gebouw, dat is bedoeld voor een verpakkingsbedrijf, volledig worden benut. In stedenbouwkundig opzicht is een grotere hoogte ter onderscheiding van de locatie verantwoord, aldus het college.

2.3.2. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in strijd met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan of een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd. Hij sluit zich aan bij het standpunt van het college van burgemeester en wethouders.

2.3.3. De Afdeling overweegt allereerst dat ter zitting is gebleken dat voor de in geding zijnde gronden nog niet eerder een uitwerkingsplan is vastgesteld. Anders dan appellanten stellen, betreft het door het college van burgemeester en wethouders genomen besluit geen wijziging van een eerder vastgesteld uitwerkingsplan en evenmin een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 8 van de voorschriften van het bestemmingsplan. De eerdere verlening van een bouwvergunning doet aan het voorgaande niet af.

2.3.3.1. De op de plankaart van het bestemmingsplan “Lisse-Noord” als “Uit te werken bedrijventerrein (UB)” aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 21, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan bestemd voor een bedrijventerrein en in samenhang daarmee voor de daarbij behorende voorzieningen zoals onder meer wegen, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen. Op grond van het bepaalde onder j in het tweede lid van dit artikel kan het college van burgemeester en wethouders uitsluitend indien, zoals in dit geval, op de bestemmingsplankaart de hoogten 8 (10) meter zijn aangegeven, van deze hoogten afwijken tot hoogten van ten hoogste 12 (15) meter, indien de aard van de bedrijfsvoering en de situering in het gebied daartoe aanleiding geven.

Aan deze mogelijkheid van de op de bestemmingsplankaart aangegeven hoogten af te wijken kan de in artikel 4 van de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen hoogteregeling, waarnaar appellanten hebben verwezen, niet afdoen, nu die regeling het bepaalde in andere bestemmingsplanvoorschriften onverlet laat.

Wat betreft de toepassing van artikel 21, tweede lid, onder j, van de voorschriften van het bestemmingsplan ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat het college van burgemeester en wethouders in dit geval heeft kunnen overwegen dat de aard van de bedrijfsvoering en de situering in het gebied aanleiding zijn voor het afwijken van de hoogtematen. Zij overweegt daartoe dat aannemelijk is dat de in het plan opgenomen hoogten, mede gelet op het beleid inzake intensief ruimtegebruik, geschikt zijn voor een verpakkingsbedrijf alsmede dat vanuit stedenbouwkundig opzicht geen bezwaar bestaat tegen de hogere bouwhoogte op deze plaats binnen het bedrijventerrein. De hinder die voor appellanten ontstaat, is, mede in aanmerking genomen dat het hier een bedrijventerrein betreft, niet zodanig dat verweerder daaraan overwegende betekenis had moeten toekennen. Voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders heeft gehandeld in strijd met de uitwerkingsregels, bestaat, gelet op het voorgaande, geen aanleiding.

Verweerder heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat wat betreft de bezwaren inzake de ontsluitingsweg niet aannemelijk is geworden dat benutting van de in het plan opgenomen bouwmogelijkheid tot gevolg heeft dat een ontsluitingsweg, waaromtrent nog nadere besluitvorming dient plaats te vinden, over het naastgelegen perceel van appellanten moet worden aangelegd.

2.3.4. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitwerkingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan.

Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Langeveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

317-371.