Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3538

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200204302/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het voorgaande volgt dat het doen van een voorstel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn door de Lid-Staat aan de Commissie geen publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelst, maar een handeling ter voorbereiding van de vaststelling van deze lijst door de Commissie. De weigering van verweerder zo’n voorstel te doen, kan derhalve niet worden aangemerkt als een op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering een besluit te nemen. Voorts bevat de brief van 21 november 2002 van de directeur van het Expertisecentrum LNV slechts mededelingen van feitelijke aard. Deze brief behelst geen op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering een besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 71 met annotatie van J.M. Verschuuren
M en R 2003, 67K
JM 2003/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204302/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 6 augustus 2001 heeft appellant aan verweerder verzocht een bepaald gebied in de provincie Noord-Brabant, gelegen tussen Oudenbosch en Steenbergen, op grond van de Habitatrichtlijn aan te melden bij de Europese Commissie als leefgebied voor de grote modderkruiper (Misgurnus fossilis).

Bij brief van 21 november 2001 heeft de directeur van het Expertisecentrum LNV aan appellant onder meer meegedeeld dat over de aanwijzing van gebieden in het kader van de Habitatrichtlijn nog geen definitieve besluitvorming heeft plaatsgehad.

Bij besluit van 2 juli 2002 heeft verweerder de schriftelijke bezwaren van appellant tegen deze brief en tegen het uitblijven van een voor beroep vatbaar besluit op zijn verzoek van 6 augustus 2001, niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van . Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2003, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.W. Verheijen, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling dient de vraag te beantwoorden of zij in eerste en enige aanleg bevoegd is te beslissen op het beroep. Indien de wet geen bepaling kent die de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd acht, volgt uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dat de rechtbank de bevoegde rechter is.

2.2. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 wijst de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gebieden aan ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud, voorzover die verdragen of verplichtingen zulks met zich brengen.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2.3. Het bestreden besluit steunt niet op de Natuurbeschermingswet 1998. Dit besluit behelst niet de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de (weigering van een) aanwijzing van een gebied als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, maar tegen de weigering van een aanmelding van een bepaald gebied bij de Europese Commissie op grond van de Richtlijn 92/43/EEG (hierna: Habitatrichtlijn). Nu het bestreden besluit evenmin steunt op een andere wet waarin een bepaling is opgenomen die de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd acht, volgt uit artikel 8:1 van de Awb dat de rechtbank in eerste aanleg de bevoegde rechter is. De Afdeling ziet echter op grond van de hiernavolgende overwegingen aanleiding het beroep zelf finaal af te doen.

2.4. Ingevolge artikel 4, eerste lid, eerste volzin, van de Habitatrichtlijn stelt elke Lid-Staat op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en de relevante wetenschappelijke gegevens een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Ingevolge artikel 4, tweede lid, derde alinea, van de Habitatrichtlijn wordt de lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21. Ingevolge artikel 4, vierde lid, eerste volzin, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wijst de betrokken Lid-Staat een gebied, dat volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, aan als speciale beschermingszone. Ingevolge artikel 5 van de Habitatrichtlijn kan de Commissie in uitzonderlijke gevallen zelf een voorstel aan de Raad doen betreffende de selectie van een gebied als gebied van communautair belang.

2.5. Uit de hiervoor weergegeven bepalingen van de Habitatrichtlijn volgt als regel dat de lijst van gebieden van communautair belang door de Commissie wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 21 van die richtlijn. Verweerder is niet bevoegd tot het vaststellen van die lijst. Verweerder doet namens de Lid-Staat Nederland aan de Commissie een voorstel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn voor een lijst van gebieden. Het doen van zo’n voorstel dient in de regel vooraf te gaan aan de vaststelling van de lijst van gebieden van communautair belang. Het rechtscheppend moment ligt besloten in de vaststelling van deze lijst door de Commissie. Bovendien volgt uit artikel 5 van de Habitatrichtlijn dat de Raad, in uitzonderlijke gevallen, los van de procedure die aanvangt met een voorstel van de Lid-Staat aan de Commissie, een gebied als gebied van communautair belang kan verklaren.

Uit het voorgaande volgt dat het doen van een voorstel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn door de Lid-Staat aan de Commissie geen publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelst, maar een handeling ter voorbereiding van de vaststelling van deze lijst door de Commissie. De weigering van verweerder zo’n voorstel te doen, kan derhalve niet worden aangemerkt als een op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering een besluit te nemen. Voorts bevat de brief van 21 november 2002 van de directeur van het Expertisecentrum LNV slechts mededelingen van feitelijke aard. Deze brief behelst geen op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering een besluit te nemen.

2.6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de bezwaren van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat de rechtbank na doorzending van het beroepschrift, niet tot een ander oordeel kan komen dan de Afdeling. Aangezien de Afdeling bovendien bevoegd is op het hoger beroep te beslissen, indien appellant tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep zou indienen, ziet zij om redenen van proceseconomie af van doorzending van het beroepschrift op grond van artikel 6:15 van de Awb. De Afdeling wijst appellant ingevolge artikel 8:71 van de Awb op de mogelijkheid een vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en

mr. O. de Savornin Lohman, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

12.