Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3537

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200203791/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203791/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend, vastgesteld het uitwerkingsplan "Weidevenne, kwadrant IV, Bestaande bebouwing 2001".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 mei 2002, kenmerk 2002-7050, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door A. Vink en mr. M. Aaij, ambtenaren van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.H. van Meurs, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

2.1. Het plan is gebaseerd op de uitwerkingsplicht in artikel 8 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “West III 1998” (hierna: het bestemmingsplan). Dat betreft een globaal plan met uitwerkingsplicht waarmee het planologisch kader is aangegeven voor de ontwikkeling van de kwadranten II, III en IV van de uitbreidingslocatie Purmerend-West en dat bij besluit van de gemeenteraad van Purmerend van 18 februari 1999 is vastgesteld, bij besluit van verweerder van 19 mei 1999 is goedgekeurd en op 14 augustus 1999 onherroepelijk is geworden.

Met het uitwerkingsplan wordt een planologische regeling getroffen voor de aan de oostzijde gelegen bestaande lintbebouwing langs de weg naar Purmerland (Melkweg/Purmerland). Het uitwerkingsplan omvat de aldaar gesitueerde particuliere gronden, inclusief de aanwezige (woon-)bebouwing, waaronder drie stolpboerderijen, negen woningen alsmede de bijbehorende bijgebouwen.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de planologische regeling ten aanzien van de loods op het perceel [locatie], die in gebruik is ten behoeve van het aldaar gevestigde schildersbedrijf. Volgens appellant past het feitelijk gebruik als bedrijfsloods binnen de uit te werken bestemming “Centrumdoeleinden” van het bestemmingsplan, aangezien de bedrijfsvoering niet zodanig is dat deze conflicteert met de toekomstige woonomgeving van Weidevenne. Hij stelt zich in dit verband op het standpunt dat het hier gaat om een aan huis gebonden beroep.

2.4. Verweerder heeft de planologische regeling ten aanzien van de in geding zijnde loods in strijd geacht met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan en in dit verband goedkeuring onthouden aan de zinsnede “en – voorzover het de in lid 2 onder b bedoelde gebouwen betreft –“ in artikel 7, vierde lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan en aan het plandeel met de bestemming “Tuinen en erven” dat het gedeelte van het perceel [locatie] betreft waar thans de loods staat. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de loods niet onder de woonbestemming kan worden geschaard, zodat niet kan worden gesproken van een aan huis gebonden beroep. Hij is van mening dat het hier een afzonderlijke bedrijfsfunctie betreft en wijst er op dat de uit te werken bestemming “Centrumdoeleinden”, die in het bestemmingsplan aan het perceel [locatie] was toegekend, niet voorziet in de vestiging van bedrijven ter plekke.

2.5. Ingevolge artikel 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt onder een aan huis gebonden beroep verstaan een beroeps- of praktijkuitoefening, die naar aard en omvang van de werkzaamheden in een woning kan plaatsvinden met behoud van de woonfunctie, zonder dat het karakter van woonhuis en/of woonomgeving wordt aangetast.

De Afdeling stelt aan de hand van de stukken vast dat in het bestemmingsplan aan het perceel [locatie] de uit te werken bestemming “Centrumdoeleinden” was toegekend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de bij dat plan behorende voorschriften, zijn de gronden die op de kaart als zodanig zijn aangewezen, bestemd voor woningen, winkels, horecabedrijven, hotels, banken, kantoren, zakelijke en maatschappelijke dienstverlening, sociale, culturele, recreatieve en medische doeleinden, scholen, wegen, spoorwegdoeleinden, geluidwerende voorzieningen, parkeer-, speel- en groenvoorzieningen, open terreinen, water en waterkering, bruggen, duikers en tunnels, alsmede de daarbij behorende bouwwerken en verharding.

In het uitwerkingsplan heeft het perceel [locatie] de bestemmingen “Eengezinshuizen E-a” en “Tuinen en Erven” gekregen. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan zijn de op de kaart als “Eengezinshuizen E-a” aangewezen gronden bestemd voor eengezinshuizen en verhardingen, alsmede de daarbij behorende bouwwerken, zoals bergingen en garages.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van deze voorschriften zijn de op de kaart als “Tuinen en Erven” aangewezen gronden bestemd voor tuinen en erven van het op het bouwperceel staande hoofdgebouw en verhardingen, alsmede de daarbij behorende bouwwerken.

Het tweede lid van dit artikel bevat een regeling ten aanzien van de bouwmogelijkheden op de in het eerste lid genoemde gronden. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in gronden die niet gearceerd op de kaart zijn aangegeven (onder a), gronden die enkel gearceerd op de kaart zijn aangegeven (onder b) en gronden die kruisgearceerd op de kaart zijn aangegeven (onder c).

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt tot een gebruik van de in het eerste lid bedoelde gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming, zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het bestemmingsplan “West III 1998”, in ieder geval gerekend het uitoefenen van detailhandel en – voorzover het de in het tweede lid, onder b, bedoelde gebouwen betreft – in ieder geval het uitoefenen van een beroep of bedrijf alsmede het gebruik als opslag-, los- en laadplaats ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten.

2.6. De Afdeling stelt vast dat ingevolge het uitwerkingsplan de loods kennelijk mag worden gebruikt voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf alsmede voor het gebruik als opslag-, los- en laadplaats ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de plaats van de loods binnen de bestemming “Tuinen en Erven” op de plankaart is aangeduid met een kruisarcering en in artikel 7, vierde lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan dit gebruik alleen ten aanzien van gronden die op de kaart enkel gearceerd zijn aangegeven nadrukkelijk is uitgesloten.

Naar het oordeel van de Afdeling gaat een dergelijk bedrijfsmatig gebruik van de loods verder dan activiteiten in het kader van de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of praktijk, zoals omschreven in artikel 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan.

Gelet hierop komt de Afdeling het standpunt van verweerder dat de planologische regeling ten aanzien van de loods betrekking heeft op een afzonderlijke bedrijfsfunctie dan ook niet onjuist voor. De omstandigheid dat de bedrijfsvoering van het schildersbedrijf volgens appellanten niet zodanig is dat deze conflicteert met de toekomstige woonomgeving van Weidevenne, kan hieraan niet afdoen.

Nu de uit te werken bestemming “Centrumdoeleinden” in het bestemmingsplan niet voorziet in de vestiging van bedrijven als het onderhavige, is het uitwerkingsplan in zoverre in strijd met de uitwerkingsregels van dit plan vastgesteld. Verweerder heeft daarom terecht goedkeuring onthouden aan de zinsnede “en – voorzover het de in lid 2 onder b bedoelde gebouwen betreft – “ in artikel 7, vierde lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan en aan het plandeel met de bestemming “Tuinen en erven” dat betrekking heeft op het gedeelte van het perceel [locatie] waar thans de loods staat.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003.

176-363.