Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200203678/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203678/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2002, kenmerk nr. 2000.18998, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een vleesvarkens- en fokvarkenshouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Venray. De gevraagde vergunning is geweigerd voor het houden van 155 vleesvarkens. Dit besluit is op 30 mei 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 juli 2002.

Bij brief van 22 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2002, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.P.N.M. Heijnens-Coenjaerts en ing. F.H.A. van Bergen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vergunning verleend voor het houden van 160 gespeende biggen, 56 kraamzeugen, 184 guste en dragende zeugen en 2 dekberen in traditionele stallen en 672 gespeende biggen en 1.285 vleesvarkens in Groen Labelstallen (respectievelijk BB 97.01.052/V1 en BB 96.02.069).

Op 30 augustus 1994 is krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor het houden van 495 gespeende biggen, 36 kraamzeugen, 114 guste en dragende zeugen, 2 dekberen en 955 vleesvarkens in traditionele stallen.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.3. Appellant betoogt dat verweerder de vergunning, zoals deze is aangevraagd, ten onrechte heeft geweigerd voor het houden van 155 vleesvarkens, omdat ook met het aangevraagde veebestand de grootst mogelijke milieuwinst wordt behaald. Hij voert hiertoe aan dat, ondanks de toename van het aantal mestvarkeneenheden, de stankbelasting ten gevolge van de onderhavige inrichting afneemt, doordat de vleesvarkens en de gespeende biggen in een ander, geurarm stalsysteem (stal 1) worden gehuisvest. Voorts worden in de dichtst bij de bedrijfswoning gelegen stal 3 geen dieren meer gehouden en worden de emissiepunten van stal 2 verplaatst naar de achterzijde, zodat de afstand ten opzichte van het dichtstbijzijnde stankgevoelige object gelegen aan de St. Jozeflaan wordt vergroot. Appellant onderbouwt zijn betoog door middel van een berekening waaruit blijkt dat de stankhinder bij het aangevraagde veebestand afneemt.

2.3.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd, voorzover het de omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden en de minimaal aan te houden afstanden betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd. De cumulatieve stankhinder heeft verweerder berekend aan de hand van het rapport “Beoordeling cumulatieve stankhinder door intensieve veehouderij” (Publicatiereeks Lucht, nr. 46; hierna: het rapport).

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op de rechten die appellant kan ontlenen aan de eerder ten behoeve van de inrichting verleende vergunning. Nu het zwaartepunt van het bedrijf is verplaatst naar de nieuw te bouwen Groen Labelstal 1 en voorts de emissiepunten van stal 2 zodanig zijn verplaatst dat hierdoor de afstand tot het dichtstbijzijnde stankgevoelige object wordt vergroot, is hij van mening dat deze omstandigheden in voldoende mate het opvullen van de bestaande rechten, zijnde 1.063,3 mestvarkeneenheden, door toepassing van een Groen Labelstal in combinatie met het houden van meer dieren, rechtvaardigt. Verweerder betoogt echter dat het verhogen van voornoemd aantal mestvarkeneenheden tot 1.173,5, zoals is aangevraagd, in een situatie waarbij niet aan de Richtlijn en het rapport wordt voldaan, niet vergunbaar is. Verweerder is derhalve van mening dat de gevraagde vergunning voor 155 vleesvarkens, overeenkomend met 110,2 mestvarkeneenheden, dient te worden geweigerd.

2.3.2. Vaststaat dat in de eerder vergunde situatie noch in de bij het bestreden besluit vergunde situatie wordt voldaan aan de afstand die volgens de afstandsgrafiek van de Richtlijn in acht dient te worden genomen tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting en de dichtstbijzijnde woning van derden aan de St. Jozeflaan. Tevens staat vast dat de som van de individuele bijdragen de waarde van 1,5, zoals opgenomen in het rapport, overschrijdt. Voorts is niet in geschil dat het aantal mestvarkeneenheden in de door vergunninghouder aangevraagde situatie groter is dan het aantal mestvarkeneenheden waarvoor op grond van de ten behoeve van de inrichting eerder verleende vergunning bestaande rechten gelden. Nu verlening van de gevraagde vergunning ertoe zou leiden dat het aantal mestvarkeneenheden, in een reeds met stank overbelaste situatie, toeneemt, moet worden geoordeeld dat verweerder zich, gelet op het vorenstaande, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevraagde vergunning uit het oogpunt van (cumulatieve) stankhinder niet kan worden verleend. Verweerder heeft de vergunning derhalve terecht geweigerd voor het houden van 155 vleesvarkens.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

159-374.