Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3534

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200201011/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201011/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 27 december 2001 in het geding tussen:

appellante

en

het bestuur van de stichting “Stichting Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp”.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2000 is aan appellante een forfaitaire tegemoetkoming van ƒ 4000,00 (€ 1815,12) ingevolge de Uitkeringsregeling Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp (Uitkeringsregeling) toegekend.

Bij besluit van 23 februari 2001 heeft het bestuur van de Stichting Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp (hierna: het bestuur) het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de bezwarencommissie van 15 februari 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 27 december 2001, verzonden op 10 januari 2002, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 19 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2002 heeft het bestuur een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2002, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. F. Atto, gemachtigde, en het bestuur, vertegenwoordigd door mr. W. Brenner en mr. L.M. Mulder, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het bestuur bij een beslissing omtrent tegemoetkoming als bedoeld in de Uitkeringsregeling openbaar gezag uitoefent in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en mitsdien als een bestuursorgaan in de zin van dit artikel moet worden aangemerkt. Een beslissing inzake het al dan niet toekennen van een tegemoetkoming is dus een publiekrechtelijke rechtshandeling en daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2.2. Bij besluit van 13 januari 2000 heeft het bestuur de Uitkeringsregeling vastgesteld. Nu de Uitkeringsregeling niet is gebaseerd op enige aan het bestuur toegekende regelgevende bevoegdheid, moet deze, gelet op het onder 2.1 overwogene, overeenkomstig artikel 1:3, vierde lid, van de Awb worden aangemerkt als een samenstel van beleidsregels.

2.2.1. Artikel 3 van de Uitkeringsregeling bepaalt dat een belanghebbende in aanmerking komt voor een eenmalige forfaitaire tegemoetkoming van ƒ 4000,00 (€ 1815,12) indien hij aantoont ten gevolge van de ramp psychosociale problemen te ondervinden of te hebben ondervonden.

Artikel 4 van de Uitkeringsregeling bepaalt dat de belanghebbende die in aanmerking komt voor de in artikel 3 genoemde forfaitaire tegemoetkoming en die aantoont voor inwerkingtreding van deze regeling op hem drukkende uitgaven in relatie tot zijn psychosociale problemen te hebben gedaan, welke uitgaven uitstijgen boven een bedrag van ƒ 4000,00 (€ 1815,12) en welke niet anderszins door verzekeraar of andere daartoe geëigende organisaties zijn vergoed dan wel nog zullen of kunnen worden vergoed, in aanmerking komt voor een eenmalige aanvullende tegemoetkoming in de gedane uitgaven tot een maximum bedrag van ƒ 21000,00 (€ 9529,38).

2.3. Appellante handhaaft in hoger beroep haar betoog dat zij op grond van artikel 4 van de Uitkeringsregeling voor een aanvullende tegemoetkoming in aanmerking behoort te komen. Ten gevolge van de Bijlmerramp kampt zij met fysieke problemen, waardoor zij niet voldoende kan werken. De inkomensachteruitgang, die hierdoor is ontstaan, maakt dat zij niet in staat is haar rekeningen, waaronder telefoon- en elektriciteitsrekeningen, te betalen. Voorts wijst zij op het feit dat de slachtoffers van de rampen in Enschede en in Volendam nagenoeg allemaal binnen een redelijke termijn hun inkomensschade en immateriële schade vergoed hebben gekregen en maakt zij een vergelijking met slachtoffers van een auto-ongeluk of een mishandeling, die wel inkomensschade vergoed krijgen.

2.4. De Uitkeringsregeling voorziet in het verstrekken van tegemoetkomingen aan een groep gedupeerden die ten gevolge van de ramp kampt met psychosociale problemen. Blijkens de in de Uitkeringsregeling opgenomen toelichting is de forfaitaire tegemoetkoming van ƒ 4000,00 (€ 1815,12) op grond van artikel 3 bedoeld als erkenning van ondervonden leed voor belanghebbenden die aannemelijk hebben kunnen maken ten gevolge van de ramp psychosociale problemen te ondervinden of te hebben ondervonden. Een aanvullende tegemoetkoming op grond van artikel 4 wordt verstrekt indien de aan psychosociale problemen gerelateerde uitgaven het bedrag genoemd in artikel 3 overstijgen en aantoonbaar zijn gemaakt. Artikel 4 biedt, gelet op de toelichting op dit artikel, uitdrukkelijk geen basis voor vergoeding van ten gevolge van de ramp geleden inkomensschade. Nu de door appellante opgevoerde kosten niet in relatie staan tot psychosociale problemen, maar het gevolg zijn van een door fysieke problemen veroorzaakte inkomensachteruitgang, komen zij niet voor vergoeding in aanmerking. Voorzover appellante ter zitting heeft aangevoerd dat de inkomensschade mede door psychosociale problemen is veroorzaakt, is van belang dat artikel 4 ook hierop niet ziet.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel maakt dit niet anders. Van gelijke gevallen in juridische zin is geen sprake, reeds omdat het bestuur geen bevoegdheden toekomt ten aanzien van de slachtoffers van de rampen van Enschede en Volendam. Ook de vergelijking met slachtoffers van een auto-ongeluk dan wel een mishandeling faalt, reeds omdat de onderhavige regeling geen vergoeding beoogt van schade op grond van onrechtmatige daad, terwijl zo’n vergoeding wel aan de orde is in de door appellante genoemde gevallen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Planken

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

299.