Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3528

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200203032/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203032/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 17 mei 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het bestuur van de stichting “Stichting Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp”.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2000 is de aanvraag van appellant om een tegemoetkoming ingevolge de Uitkeringsregeling Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp (Uitkeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 17 april 2001 heeft het bestuur van de Stichting Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp (hierna: het bestuur) het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de bezwarencommissie van 29 maart 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 mei 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 juni en 22 juni 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 september 2002 heeft het bestuur een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Afschrift daarvan is aan de andere partij overgelegd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2002, waar appellant in persoon en het bestuur, vertegenwoordigd door mr. W. Brenner en mr. L.M. Mulder, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestuur oefent bij een beslissing omtrent tegemoetkoming als bedoeld in de Uitkeringsregeling openbaar gezag uit in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en moet mitsdien als een bestuursorgaan in de zin van dit artikel worden aangemerkt. Een beslissing inzake het al dan niet toekennen van een tegemoetkoming is dus een publiekrechtelijke rechtshandeling en daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2.2. Bij besluit van 13 januari 2000 heeft het bestuur de Uitkeringsregeling vastgesteld. Nu de Uitkeringsregeling niet is gebaseerd op enige aan het bestuur toegekende regelgevende bevoegdheid, moet deze, gelet op het onder 2.1 overwogene, overeenkomstig artikel 1:3, vierde lid, van de Awb worden aangemerkt als een samenstel van beleidsregels.

2.2.1. Artikel 3 van de Uitkeringsregeling bepaalt dat een belanghebbende in aanmerking komt voor een eenmalige forfaitaire tegemoetkoming van ƒ 4000,00 (€ 1815,12) indient hij aantoont ten gevolge van de ramp psychosociale problemen te ondervinden of te hebben ondervonden.

Artikel 4 van de Uitkeringsregeling bepaalt dat de belanghebbende die in aanmerking komt voor de in artikel 3 genoemde forfaitaire tegemoetkoming en die aantoont voor inwerkingtreding van deze regeling op hem drukkende uitgaven in relatie tot zijn psychosociale problemen te hebben gedaan, welke uitgaven uitstijgen boven een bedrag van ƒ 4000,00 (€ 1815,12) en welke niet anderszins door verzekeraar of andere daartoe geëigende organisaties zijn vergoed dan wel nog zullen of kunnen worden vergoed, in aanmerking komt voor een eenmalige aanvullende tegemoetkoming in de gedane uitgaven tot een maximum bedrag van ƒ 21000,00 (€ 9529,38).

Artikel 8 van de Uitkeringsregeling bepaalt dat het bestuur van de Stichting in bijzondere gevallen kan tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich – naar het oordeel van het bestuur van de Stichting – bij toepassing van deze regeling mochten voordoen.

2.3. Vast staat dat appellant als freelance fotograaf aanwezig is geweest op de plek van de Bijlmerramp ten tijde van belang. Het geding spitst zich toe op de vraag of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten gevolge van de Bijlmerramp psychosociale problemen heeft of heeft ondervonden en op grond daarvan in aanmerking dient te komen voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3 van de Uitkeringsregeling.

2.3.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Hierbij is van belang dat appellant, tijdens het intake gesprek ten behoeve van de behandeling van zijn aanvraag, heeft aangegeven geen psychosociale problemen ten gevolge van de Bijlmerramp te ondervinden of te hebben ondervonden. Ook uit de door appellant in de bezwaarfase overlegde verklaringen van zijn opeenvolgende huisartsen blijkt evenmin van genoemde problemen. Bij brief van 21 januari 2001 heeft de huisarts van appellant, [huisarts], verklaard dat zijn medisch dossier vanaf 1995 geen melding maakt van psychosociale klachten. [huisarts], de huisarts van appellant in de periode 1993-1994, maakt in zijn verklaring van 26 januari 2001 evenmin melding van psychosociale problemen. Het bestuur heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3 van de Uitkeringsregeling. Anders dan appellant betoogt, gaf hetgeen hij tijdens het intake gesprek heeft gesteld noch de verklaringen van de huisartsen, het bestuur aanleiding tot het instellen van een onafhankelijk onderzoek naar het bestaan van psychosociale problemen bij appellant. Voorts is van belang dat appellant slechts in algemene zin de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het bestuur in twijfel heeft getrokken en geen concrete omstandigheden heeft gesteld, die aannemelijk maken dat het bestuur en de sociale dienst, die overigens niet betrokken is met de uitvoering van de Uitkeringsregeling en alleen namens het bestuur optreedt in beroepszaken, in strijd met het in artikel 2:4 van de Awb neergelegde gebod van onpartijdigheid zouden hebben gehandeld.

Anders dan appellant betoogt, komt hij evenmin in aanmerking voor een afzonderlijke toekenning van de aanvullende tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4 van de Uitkeringsregeling. Immers, ook daarvoor is het noodzakelijk psychosociale problemen ten gevolge van de Bijlmerramp aannemelijk te maken. Bovendien dienen aan deze problemen gerelateerde uitgaven die voor de inwerkingtreding van de Uitkeringsregeling zijn gedaan, aangetoond te worden. Nu hiervan geen sprake is, komt appellant evenmin in aanmerking voor een aanvullende tegemoetkoming.

Het betoog van appellant, dat het bestuur toepassing had behoren te geven aan de hardheidsclausule, doet aan voormelde conclusies niet af. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bestuur niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

Dat de uitspraak van de rechtbank enkele onjuistheden bevat, doet niet af aan de inhoudelijke juistheid van het oordeel van de rechtbank.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Planken

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

299.