Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200203483/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/3846
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203483/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2001, kenmerk MIL/RSK/nr. 5108, heeft verweerder het verzoek van appellant om handhavingsmaatregelen te treffen jegens [partij] wegens het zonder vergunning krachtens de Wet milieubeheer houden van kippen op het perceel [locatie] afgewezen.

Bij besluit van 15 mei 2002, kenmerk MIL/RSK/nr. 610, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2002, waar appellant in persoon, en verweerder vertegenwoordigd door R. Spek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 14 december 2001, waarbij verweerder heeft geweigerd handhavingsmaatregelen te treffen, ongegrond verklaard.

2.2. Appellant is van mening dat verweerder een hoorzitting had moeten houden alvorens verweerder inhoudelijk terugkwam op zijn brief van 2 oktober 2001. Verder betoogt appellant dat hij ten onrechte niet is uitgenodigd voor de vergaderingen van de raadscommissie voor Volkshuisvesting, Openbare Werken, Milieu en Sport van 15 november en 6 december 2001.

2.2.1. Uit de stukken is gebleken dat de brief van verweerder van 2 oktober 2001 gericht is aan [partij]. In deze brief wordt zij er op geattendeerd een vergunning krachtens de Wet milieubeheer aan te vragen wegens het houden van kippen. Voorts is gebleken dat [partij] naar aanleiding van deze brief brieven heeft gestuurd aan de gemeenteraad van Baarn en dat deze brieven zijn geagendeerd voor de vergaderingen van voornoemde commissie van 15 november en 6 december 2001.

De Afdeling stelt vast dat voornoemde bezwaren van appellant, wat daar ook van zij, zich niet richten tegen het bestreden besluit en derhalve niet kunnen leiden tot vernietiging daarvan.

2.3. Appellant is van mening dat het niet van goed fatsoen getuigt dat hij het besluit van 14 december 2001 uit de krant moest vernemen en dat hij pas later zelf een afschrift van het besluit heeft ontvangen. Verder werd in de krant een andere motivering gegeven dan in het besluit, aldus appellant.

2.3.1. Verweerder erkent dat het ongelukkig is geweest dat de pers eerder is geïnformeerd dan appellant. Verder stelt verweerder dat hij niet voor de berichtgeving in de krant kan instaan.

2.3.2. In artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

In artikel 3:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit.

2.3.3. Uit de stukken is gebleken dat het besluit van 14 december 2001 aan appellant is toegezonden en dat het de motivering bevat waarom wordt afgezien om handhavend op te treden. Derhalve is voldaan aan artikel 3:41, eerste lid en 3:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling is van oordeel dat geen rechtsregel valt aan te wijzen op grond waarvan het bestreden besluit, waarbij het besluit in primo is gehandhaafd, niet in stand kan blijven.

2.4. Appellant betoogt dat de hoorzitting niet tijdig heeft plaatsgevonden en dat de beslissing op bezwaar eveneens niet tijdig is genomen.

2.4.1. In artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

Ingevolge artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.

2.4.2. Uit de stukken blijkt dat het bezwaarschrift van appellant op 25 februari 2002 bij verweerder is ingekomen. Een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is niet ingesteld. In een brief van 8 maart 2002 heeft verweerder appellant medegedeeld dat de behandeling van het bezwaarschrift niet kan worden afgerond voor 11 maart 2002 en dat derhalve de beslissing op bezwaar met vier weken wordt verdaagd. Niet in geschil is dat het bestreden besluit niet tijdig is genomen. De Afdeling overweegt dat artikel 7.2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen termijn kent voor het horen van belanghebbenden, behoudens dat belanghebbenden daartoe in de gelegenheid dienen te worden gesteld alvorens op het bezwaar wordt beslist. Verder is er geen wettelijk voorschrift dat bepaalt dat bij het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar het desbetreffende besluit niet in stand kan blijven. De Afdeling ziet voorts onvoldoende grond voor het oordeel dat appellant door deze gang van zaken zodanig in zijn belangen is geschaad dat het bestreden besluit om die reden wegens strijdigheid met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig rechtsbeginsel niet in stand gelaten zou kunnen worden.

2.5. Appellant betoogt dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van handhaving vanwege het zonder vergunning houden van kippen. Hij is van mening dat in de tuin een zodanig aantal kippen wordt gehouden, dat daarvoor een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist is.

2.5.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. In dat verband overweegt hij dat de kippen slechts hobbymatig worden gehouden en dat geen kippen en eieren worden verkocht. Verder stelt hij dat gelet op de grote tuin het aantal gehouden kippen niet zo groot is, dat sprake is van een omvang alsof zij bedrijfsmatig is. Voorts stelt verweerder dat in het kader van de Meststoffenwetgeving de grens van 250 kippen bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van hobbymatig dan wel bedrijfsmatig houden van kippen.

2.5.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting in werking te hebben.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Besluit), in samenhang met Bijlage I, categorie 8, onderdeel a, is een krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning vereist voor een inrichting voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

2.5.3. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie of van bedrijfsmatige commerciële activiteiten. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat moet worden gesproken van een bedrijfsmatige activiteit.

Ter zitting is gebleken dat het aantal in de tuin aanwezige kippen enigszins fluctueert, maar dat een aantal van 100 stuks een representatief beeld geeft van de situatie ter plaatse. Voorts is gebleken dat er twee hokken zijn gebouwd en dat er een ziekenboeg is voor zieke kippen. Gelet op het aantal gehouden kippen en de wijze waarop deze dieren zijn gehuisvest, waardoor een zekere continuïteit bestaat van de verrichte activiteiten, te weten het houden van dieren, is de Afdeling van oordeel dat in dit geval sprake is van een bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is en derhalve moet worden aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dat de Meststoffenwet, die tot doel heeft een onverantwoorde uitbreiding van de productie van dierlijke meststoffen te voorkomen, een andere systematiek kent, maakt dit niet anders.

2.5.4. De onderhavige inrichting is, gezien categorie 8.1 van bijlage I bij het Besluit, vergunningplichtig op grond van de Wet milieubeheer, zodat verweerder gerechtigd was van zijn bevoegdheid tot het treffen van handhavingsmaatregelen gebruik te maken. Nu hij dit in het bestreden besluit heeft miskend, kan dat besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en is het besluit in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Baarn van 15 mei 2002, kenmerk MIL/RSK/nr. 610;

III. gelast dat de gemeente Baarn aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

159-307.