Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3513

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200205385/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205385/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 2 september 2002 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Soest.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2001 hebben burgemeester en wethouders van Soest (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor de bouw van een schuur/hooiberg op het perceel [locatie].

Bij besluit van 12 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 september 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 november 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2003, waar appellant in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.F. Schutte, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan behelst de bouw van een hooiberg/schuur voor hobbydoeleinden.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kerkebuurt” heeft het gedeelte van het perceel van appellant waarop de bouwaanvraag betrekking heeft de bestemming “Bedrijven (cat. BA)”. Het overige gedeelte van het perceel van appellant heeft de bestemmingen “Tuin”, “Eengezinshuizen (EO)” en “Erf”.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en sub c,van de planvoorschriften zijn op de kaart voor bedrijven (cat. BA) aangewezen gronden bestemd voor bedrijven ten behoeve van ambachtelijke bedrijfsvoering van overwegend plaatselijk verzorgende aard, met uitzondering van detailhandel en met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen en andere gebouwen, zoals kantoren en toonkamers, andere bouwwerken, andere werken en open terreinen, met dien verstande dat uitsluitend bebouwing mag worden opgericht ten behoeve van bedrijven welke voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de in bijlage I opgenomen Staat van Inrichtingen dan wel ten behoeve van bedrijven voor ambachtelijke bedrijfsvoering, welke niet genoemd worden in deze Staat en naar de aard gelijk te stellen zijn met de inrichtingen als bedoeld in één van deze twee categorieën.

2.3. Nu het bouwplan niet strekt ten behoeve van een bedrijf als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften, is het niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan.

2.4. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, hierna: de WRO, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

2.5. Burgemeester en wethouders hebben geweigerd toepassing te geven aan de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, nu het bouwplan van appellant niet voldoet aan het beleid van burgemeester en wethouders dat 10 % van een perceel met een woon- of erfbestemming bebouwd mag worden met bijgebouwen tot een maximum van 64 m². Appellant betoogt terecht dat de rechtbank heeft miskend dat dit beleid niet van toepassing is op zijn situatie nu de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft geen woon- of erfbestemming hebben. Burgemeester en wethouders hebben derhalve ten onrechte dit beleid aan de weigering vrijstelling te verlenen ten grondslag gelegd.

Aan het ter zitting door burgemeester en wethouders naar voren gebrachte argument dat geen vrijstelling kan worden verleend omdat het gebied waar het perceel van appellant deel van uitmaakt open moet blijven, kan geen betekenis worden toegekend nu ingevolge de planvoorschriften op het deel van het perceel waar het bouwplan betrekking op heeft bebouwing van 1000 m² ten behoeve van de bestemming “Bedrijven” is toegelaten, zoals door burgemeester en wethouders is erkend.

2.6. De beslissing op bezwaar is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genomen.

Aan de overige hoger-beroepsgronden komt de Afdeling niet toe.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2001 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 2 september 2002, SBR 2001/2197;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Soest van 12 oktober 2001, P&B/2001/10990;

V. draagt burgemeester en wethouders van Soest op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. gelast dat de gemeente Soest aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 (€ 102,10 + € 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

378.