Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200204039/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204039/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2001 heeft de gemeenteraad van Epe, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 november 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Wissel, 17e partiële herziening".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 mei 2002, kenmerk RE2002.4437, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 september 2002 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het uitbrengen van een verweerschrift.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.M.T. Coffeng, advocaat te Apeldoorn, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem zijn verschenen. Verder zijn de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. M.J. van der Wal, ambtenaar van de gemeente, en [partij] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in het toekennen van de bestemming “Woonboerderij” aan het perceel [locatie 1].

Verweerder heeft het plan bij het bestreden besluit goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellante kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij voert hiertoe aan dat het plan ten onrechte niet mede het perceel [locatie 2] omvat. Zij stelt dat het ontwerpplan wél het desbetreffende perceel bevatte. Appellante is van mening dat de gemeenteraad op oneigenlijke gronden het plan gewijzigd heeft vastgesteld. In dit verband voert zij aan dat de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2001, nummer 200002563/1 en 200002563/2 (aangehecht), voor haar situatie niet van toepassing is en dat anders aan haar perceel wel een woonbestemming had moeten worden toegekend en aan het perceel [locatie 1] niet. Het perceel [locatie 2] is volgens appellante al langere tijd bewoond dan het perceel [locatie 1].

2.4. De gemeenteraad heeft naar aanleiding van de bovengenoemde uitspraak het plan gewijzigd vastgesteld, in die zin dat het perceel [locatie 2] buiten de plangrenzen is gehouden. Hij meent uit de uitspraak te moeten afleiden dat de omstandigheid dat een woning al gedurende lange tijd permanent wordt bewoond in strijd met het geldende bestemmingsplan, en daartegen handhavend optreden niet meer mogelijk is, geen rechtvaardiging is om de huidige situatie te legaliseren.

2.5. Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij stelt zich op het standpunt dat tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] niet zo’n duidelijke connectie bestaat dat hij had moeten afwijken van het beginsel dat het een autonome bevoegdheid van de gemeenteraad is de grenzen van een bestemmingsplan vast te stellen.

2.6. De Afdeling overweegt dat, gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

Aan het perceel [locatie 1] is in het bestemmingsplan “Wissel” de bestemming “Agrarische doeleinden, klasse B (landschappelijke waarde)” toegekend. Dit perceel betreft de van oorsprong bij het voormalige agrarische bedrijf behorende boerderij. Het perceel [locatie 2] is daarentegen van oorsprong een bijgebouw van deze boerderij, maar feitelijk langer bewoond dan het perceel [locatie 1].

De Afdeling is van oordeel dat de enkele verwijzing naar haar uitspraak van 5 februari 2001, nummer 200002563/1 en 200002563/2, niet kan dienen als een dragende motivering van het besluit van de gemeenteraad om het perceel [locatie 2] buiten het plangebied te laten nu niet vast staat dat er sprake is van een situatie vergelijkbaar met die genoemd in die uitspraak. Verder overweegt de Afdeling dat noch uit het bestreden besluit noch uit de daaraan ten grondslag liggende stukken blijkt dat verweerder voldoende gegevens heeft vergaard omtrent de onderlinge samenhang van de twee percelen en de daarop staande gebouwen wat betreft de juridische status en de gebruiksgeschiedenis daarvan. De omstandigheid dat de gebouwen feitelijk geen functionele binding meer met elkaar hebben omdat ze los van elkaar kunnen worden gebruikt kan niet zonder meer tot het oordeel leiden dat het perceel [locatie 2] buiten het voorliggende plan had mogen worden gehouden.

Een en ander leidt tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit in zoverre heeft genomen in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het gedeelte van de grens van het op de plankaart aangegeven plandeel met de bestemming “Woonboerderij”, dat de scheiding vormt tussen dat plandeel en het perceel [locatie 2] dat op de plankaart als “buiten de vaststelling gehouden” is aangeduid.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 mei 2002, kenmerk RE2002.4437, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het gedeelte van de grens van het op de plankaart aangegeven plandeel met de bestemming “Woonboerderij”, dat de scheiding vormt tussen dat plandeel en het perceel [locatie 2];

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de provincie Gelderland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. O. Savornin Lohman, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

12-409.