Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3505

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200204036/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204036/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2002 heeft verweerder een verzoek van appellant om bestuurlijke handhavingmiddelen te treffen ten aanzien van de jachthaven van de [vergunninghoudster], gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 17 juli 2002, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 september 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2002, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door W. Poppe, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Aan dit geschil liggen ten grondslag de in het besluit van 8 maart 2002 genoemde brieven van 29 januari 2002 en 5, 12, 19 en 26 februari 2002. Hoewel zoals verweerder stelt in deze brieven mede om informatie wordt gevraagd, hebben de brieven ook de strekking van een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen. Het besluit van verweerder van 8 maart 2002 kan in zoverre niet anders worden opgevat dan als een afwijzing van dit verzoek en het besluit van 17 juli 2002 moet worden geduid als het besluit waarbij het tegen het besluit van 8 maart 2002 ingediende bezwaarschrift ongegrond is verklaard.

2.2. Het verzoek om handhaving heeft betrekking op de situering van de aanlegsteigers en het niet aanbrengen van een tegelpad en lage begroeiing in de jachthaven van vergunninghoudster op het perceel [locatie] te [plaats]. Ter zitting heeft appellant het beroep ingetrokken voorzover het betreft het niet aanbrengen van een tegelpad.

2.3. Bij besluit van 19 juni 1992 heeft verweerder krachtens de Hinderwet aan vergunninghoudster een oprichtingsvergunning verleend ten behoeve van de inrichting. Bij schrijven van 25 augustus 1994, ingekomen bij verweerder op 14 september 1994, heeft vergunninghoudster een melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedaan. Deze melding behelst een kleine wijziging van de plaatsing van de aanlegsteigers; de aanlegsteigers zijn meer gericht naar de ingang van de jachthaven waardoor de ligplaatsen iets gemakkelijker toegankelijk zijn. De ligplaatsen zijn niet verplaatst in de richting van woningen van derden.

2.4. Appellant is van mening dat verweerder handhavend dient op te treden nu de aanlegsteigers niet overeenkomstig de melding (en de in 1992 verleende hinderwetvergunning) zijn aangebracht. De locatie van de desbetreffende steigers is immers niet veranderd.

2.4.1. Verweerder betwist dat er sprake is van een overtreding van de vergunning nu aanpassing van de steigers door middel van een melding is gelegaliseerd.

2.4.2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de Afdeling genoegzaam komen vast te staan, dat de aanlegsteigers in overeenstemming met de vergunning van 19 juni 1992 in samenhang met de melding van 25 augustus 1994 zijn gerealiseerd. Verweerder heeft derhalve terecht geoordeeld, dat in zoverre geen sprake is van een overtreding. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Verder heeft appellant betoogd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van handhavend optreden, omdat de lage begroeiing zoals aangegeven op de tekening behorende bij de vergunning van 19 juni 1992 niet is aangebracht.

2.5.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van deze begroeiing geen milieudoel dient, zodat het niet aangewezen daartegen handhavend op te treden.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat het deel van de inrichting waar begroeiing ontbreekt, is gesitueerd aan de rand van de inrichting welke het verst van de woning van appellant is gelegen. De aldaar op de tekening aangegeven begroeiing heeft geen enkele functie ter bescherming van het belang van het milieu voor de bewoners van bebouwing aan de andere zijde van de inrichting. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre geen aanleiding bestaat het verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen in te willigen. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Melse

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

191-353.