Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3502

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200201387/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201387/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2002, kenmerk WM 01.0021, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van een krattenwasserij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Bunschoten. Dit besluit is op 21 februari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 27 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 november 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2003, waar appellanten in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door F. Kappers en J.M. Stijger, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De krattenwasserij is gevestigd op het industrieterrein “Zuidwenk”. De woningen van appellanten zijn eveneens op dit industrieterrein gelegen. Het beroep van appellanten heeft met name betrekking op geur- en geluidhinder die als gevolg van de in de inrichting verrichte werkzaamheden worden veroorzaakt.

2.2. Appellanten hebben ter zitting hun beroep ingetrokken voorzover het de grond inzake geluidhinder als gevolg van muziekgeluid betreft.

2.3. Appellanten stellen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat de opslag van viskratten en visemmers op het buitenterrein van de inrichting leidt tot verkeersonveilige situaties in de omgeving. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen.

2.4. Appellanten stellen geurhinder te ondervinden als gevolg van de in de buitenlucht opgestelde ongewassen viskratten en het schoonmaken ervan in de wasmachine. Zij menen dat sterke soda's en alkalische middelen door middel van een filterinstallatie geurloos dienen te worden afgevoerd.

2.4.1. Verweerder is van mening dat met het stellen van onder meer de voorschriften 2.2.2, 2.2.3, 7.1.3 en 7.1.4 geurhinder in voldoende mate wordt beperkt.

2.4.2. Ingevolge voorschrift 2.2.2 moet het bewaren van visafval op ordelijke en nette wijze plaatsvinden. De van het visafval afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden. Daartoe moet visafval worden bewaard:

a. in een ruimte met een temperatuur beneden 0 °C, of

b. in een besloten ruimte alwaar de temperatuur beneden 10 °C is, maar het afval moet dan daaruit ten minste eenmaal per week worden afgevoerd, of

c. in een besloten, ongekoelde ruimte, maar het afval moet dan daaruit dagelijks worden afgevoerd.

Ingevolge voorschrift 2.2.3 mogen ongewassen viskratten en visemmers alleen tijdens het lossen op het (onbebouwde) voorterrein van de inrichting worden geplaatst.

Ingevolge voorschrift 7.1.3 moeten dampen die vrijkomen in een ruimte waar de wasmachine is opgesteld worden afgezogen. De afgezogen dampen moeten op ten minste 1 meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen gebouwen in de buitenlucht worden afgevoerd.

Ingevolge voorschrift 7.1.4 dient de uitmonding van de afvoerpijp te zijn voorzien van een daarvoor bestemde kap die de damp omhoog geleidt.

2.4.3. Uit het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak volgt dat van de emissie van (water)dampen uit de wasmachine geen bijzondere geurhinder valt te verwachten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat naast de voorschriften 7.1.3 en 7.1.4 geen andere voorschriften hadden moeten worden gesteld ter voldoende beperking van geurhinder veroorzaakt door de afvoer van (water)dampen.

Met betrekking tot de door appellanten gevreesde geurhinder ten gevolge van de opslag van ongewassen viskratten in de buitenlucht is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid de voorschriften 2.2.2 en 2.2.3 toereikend heeft kunnen achten.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellanten stellen geluidhinder te ondervinden als gevolg van de in het bedrijfsgebouw verrichte activiteiten vanwege openstaande deuren.

2.5.1. Verweerder is van mening dat met het stellen van voorschrift 6.1.4 geluidhinder in voldoende mate wordt beperkt.

2.5.2. Ingevolge voorschrift 6.1.4 dienen de deuren en ramen tijdens het wassen van de viskratten en visemmers te zijn gesloten behoudens tijdens het doorlaten van personen en/of goederen.

2.5.3. De Afdeling stelt vast dat verweerder naar aanleiding van de door appellanten ingediende bedenkingen onder meer voorschrift 6.1.4 aan de vergunning heeft verbonden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit voorschrift toereikend is ter bescherming tegen geluidhinder vanwege productielawaai in het bedrijfsgebouw van de inrichting. Voorzover appellanten vrezen dat dit voorschrift niet wordt nageleefd, merkt de Afdeling op dat dit een kwestie van handhaving is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

179-353.