Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3499

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
200200530/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200530/1.

Datum uitspraak: 29 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2001, kenmerk MV 94/05/V01, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het veranderen van de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Zeewolde. Dit besluit is op 18 december 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 maart 2002.

Bij brief van 21 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 november 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, J. de Vries, ambtenaar van de gemeente, en J.L. van den Berg, gemachtigde, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De verandering van de inrichting heeft betrekking op een uitbreiding van de opslag van gekoelde en ingevroren producten.

2.2. De naastgelegen inrichting van appellante bestaat onder meer uit een bestrijdingsmiddelendepot met een opslagcapaciteit van maximaal 10 ton.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellante voert aan dat in plaats van 10 meter minimaal 20 meter afstand aangehouden zou moeten worden tussen haar bedrijf en in het bijzonder het bestrijdingsmiddelendepot aan de achterzijde daarvan en de nieuwbouw van [vergunninhouder]. Uit een in haar opdracht door EFPC verricht onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport, getiteld ‘advies brandveiligheid’, blijkt dat de voorgeschreven afstand van 10 meter onaanvaardbare risico’s met zich brengt. Appellante vreest daarbij dat uitbreiding van haar bestrijdingsmiddelenopslag door het verlenen van de onderhavige vergunning niet meer mogelijk zou zijn.

2.4.1. In verband met de aanwezigheid van het bestrijdingsmiddelendepot heeft verweerder gebruik gemaakt van de resultaten van het onderzoek “Kwantitatieve risico-analyse van bestrijdingsmiddelenopslag [appellante] te [plaats]”. Op grond van de resultaten van dat onderzoek is volgens verweerder vergunningverlening voor de nieuwbouw op 10 meter afstand mogelijk. Verweerder baseert zijn besluit voorts op een advies van de brandweer Almere dat de bereikbaarheid van de loodsen en de ter plaatse aanwezige blusmiddelen toereikend zijn.

2.4.2. De Afdeling stelt mede op grond van het deskundigenbericht vast dat in onderhavige inrichting geen opslag plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. Evenmin wordt met dergelijke stoffen gewerkt. Van een verhoging van het risico voor de omgeving is geen sprake. Wat betreft gevaarsaspecten als branddoorslag en brandoverslag gelden in het kader van de Wet milieubeheer dan ook geen bijzondere eisen voor deze inrichting.

2.4.3. Volgens de vergunningaanvraag wordt in de ruimten tegenover het bestrijdingsmiddelendepot uitsluitend pommes frites opgeslagen onder een temperatuur van – 220 C. De koelvloeistof (freon 507) die daarbij wordt gebruikt, is geen brandbare stof. Voor gebouwen als die van [vergunninghouder], waarin geen gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, geldt op grond van het Bouwbesluit voor de scheidingsconstructies in de regel een brandwerendheid van 60 minuten.

Blijkens het deskundigenbericht blijkt dat alle wanden (zowel buiten- als binnenwanden) van de nieuwbouw voldoen aan deze eis van 60 minuten brandwerendheid.

De opslag (pommes frites) waarvan hier sprake is en de wijze van opslag (compartimentering) brengen met zich mee dat de kans op het ontstaan van een brand klein is alsmede dat in geval van brand de omvang daarvan beperkt blijft.

Gelet hierop heeft verweerder zich, naar het oordeel van de Afdeling, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het stellen van strengere eisen in verband met de brandwerendheid en de brandveiligheid geen noodzaak bestaat.

Van zodanig concrete uitbreidingsplannen van het bestrijdingsmiddelendepot dat daarmee bij vergunningverlening als toekomstige ontwikkeling rekening had moeten worden gehouden, is de Afdeling niet gebleken.

In zoverre is het beroep dan ook ongegrond.

2.5. Volgens appellante bestaan in geval van brand in de koelloodsen van [vergunninghouder] onvoldoende mogelijkheden voor de brandweer om de gevels te koelen door een gebrek aan opstelplaatsen voor brandweervoertuigen, door onvoldoende bereikbaarheid van de locatie en door een tekort aan bluswater.

2.5.1. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting blijkt dat de loodsen door de brandweer voldoende bereikbaar zijn. Ook is er zonodig voldoende bluswater beschikbaar. In ieder geval voor een eerste aanval van een eventuele brand. Indien de brand escaleert, is meer bluswater aanwezig in de vijver en de vaart op respectievelijk 240 en 280 meter afstand van de inrichting.

2.5.2. Naar het oordeel van de Afdeling stelt verweerder zich in redelijkheid op het standpunt dat er geen redenen zijn om te veronderstellen dat de mogelijkheden voor de brandweer om in geval van brand te kunnen blussen onvoldoende of ontoereikend zouden zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003

353.