Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3253

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
23-01-2003
Zaaknummer
200205693/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:5
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 285 met annotatie van I. Sewandono
JV 2003/78
JB 2003/66 met annotatie van AMLJ
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200205693/1.

Datum uitspraak: 7 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 18 oktober 2002 in het geding tussen:

A

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2002 heeft appellant een aanvraag van A (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 oktober, verzonden op die dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de voorzieningenrechter), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 november 2002 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Bervoets, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie en de vreemdeling, bijgestaan door mr. M.M. Polman, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan de aanvrager weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen voor zover het belang daarvan voor de beslissing van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, met inbegrip van de bescherming van medische en psychologische onderzoeksresultaten, of tegen het belang van de bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens.

Ingevolge artikel 2:5, eerste lid, van de Awb is een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Het is derhalve aan de asielzoeker om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.

2.2. De grieven 2 en 3, in onderling verband bezien, richten zich tegen de overweging van de voorzieningenrechter waarin deze aangeeft appellant niet te kunnen volgen in het standpunt dat moet worden getwijfeld aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling, omdat zij een aantal namen niet heeft willen noemen. Appellant voert daartegen allereerst aan dat blijkens het verslag van het nader gehoor de vreemdeling slechts één naam niet heeft willen noemen en dat zij zich de namen van de deelnemers aan de vergaderingen, op vier na, slechts niet wist te herinneren. Voorts voert appellant aan dat de voorzieningenrechter met zijn oordeel dat het bestreden besluit geen blijk geeft van een belangenafweging als bedoeld in artikel 4:3 van de Awb, waarbij het zou gaan om het belang van de aanvrager om bepaalde gegevens niet te verschaffen, de betekenis van dit artikel heeft miskend. Door de in beroep alsnog genoemde namen in zijn beoordeling te betrekken omdat sprake zou zijn van een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt heeft de voorzieningenrechter, aldus appellant, evenzeer blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat daarmee wordt miskend dat op de asielzoeker de verplichting rust om volledige medewerking te verlenen aan het onderzoek.

2.2.1. De grieven treffen doel.

Vaststaat dat de vreemdeling aan haar asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd dat zij haar restaurant ter beschikking zou hebben gesteld voor het houden van vergaderingen door personen die behoorden tot de kring van Kabila senior en door de Congolese autoriteiten worden verdacht van betrokkenheid bij de moord op Kabila senior. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt ondubbelzinnig dat de vreemdeling van de twaalf personen die – naar haar zeggen - deelnamen aan de vergaderingen er slechts vier bij name heeft kunnen noemen en dat zij alleen de naam van de man met wie zij in contact stond (hierna: de vriend) niet heeft willen noemen. Niet alleen is de vreemdeling bij aanvang van het nader gehoor voorgehouden dat zij in vrijheid kan spreken en dat alles wat er wordt besproken vertrouwelijk zal worden behandeld, ook tijdens het nader gehoor is haar meermalen voorgehouden dat de informatie die wordt verstrekt vertrouwelijk wordt behandeld en dat het niet beantwoorden van vragen negatieve invloed kan hebben op de beslissing op haar asielverzoek. In de laatste fase van het nader gehoor is de vreemdeling nog een aantal nadere vragen gesteld, waarbij zij opnieuw is geïnformeerd over de mogelijk negatieve invloed van het achterhouden of weigeren van het geven van informatie. Daarbij heeft de vreemdeling aangegeven dat zij sommige namen niet meer weet. Voorts heeft zij volhard in haar weigering de naam van de vriend te noemen. Eerst in beroep bij de rechtbank heeft zij een lijst met alle dertien namen overgelegd.

2.2.2. De Afdeling stelt voorop dat aan de asielprocedure inherent is dat de asielzoeker aan appellant vertrouwelijke gegevens verschaft. Voor zover appellant en de namens hem optredende contactambtenaar het vertrouwelijke karakter van de verstrekte gegevens redelijkerwijs moeten vermoeden – hetgeen wat betreft de in geding zijnde namen evident het geval was – waren zij op grond van artikel 2:5 van de Awb gehouden tot geheimhouding van die gegevens. In de geschiedenis van de totstandkoming van de eerste tranche van de Awb, meer in het bijzonder van haar artikel 4:3 – gewezen wordt op de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1992-1993, 21 221, nr. 3 - is te lezen dat artikel 4:3 in samenhang moet worden gezien met artikel 2:5 van de wet. Artikel 4:3, eerste lid ziet, aldus de Memorie van Toelichting, op de situatie dat een belanghebbende van mening is dat zijn privacy wordt aangetast dan wel zijn belang bij de bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens wordt geschonden zelfs door vertrouwelijke overlegging aan het bestuursorgaan. De situatie die zich hier voordeed, waarin de vreemdeling ter bescherming van een derde diens naam niet wilde noemen, valt niet binnen het bereik van artikel 4:3 van de Awb. Immers, niet haar eigen privacy doch de veiligheid van een derde was hier in geding. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

2.2.3. In het bij de voorzieningenrechter bestreden besluit heeft appellant gemotiveerd uiteengezet, dat en waarom het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is. Die conclusie heeft appellant mede gebaseerd op de omstandigheid dat de vreemdeling de naam van de vriend niet heeft willen noemen.

De Afdeling volgt niet de stelling van de vreemdeling dat de contactambtenaar haar - kennelijk: ten onrechte – niet het mes op de keel heeft gezet, reeds omdat een dergelijke houding ontoelaatbaar zou zijn geweest. Gelet op de verplichting die voor de asielzoeker uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 voortvloeit kan, ofschoon op zichzelf het niet noemen van een naam niet voldoende is om tot een afwijzing van een asielaanvraag te komen, niet worden geoordeeld dat appellant de vreemdeling niet heeft mogen aanrekenen dat zij, ondanks aandringen van de contactambtenaar, geen openheid van zaken heeft gegeven. Dit klemt te meer nu het asielrelaas van de vreemdeling op alle essentiële onderdelen is gebaseerd op informatie die de betrokken persoon aan de vreemdeling heeft verschaft.

Voorts heeft appellant zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onvermogen van de vreemdeling om meer dan vier namen te noemen van de twaalf personen die gedurende een half jaar wekelijks urenlang in haar restaurant aanwezig waren, verder afbreuk deed aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Het alsnog in de beroepsprocedure inbrengen van de desbetreffende namen deed daaraan niet af, reeds omdat blijkens de daarbij overgelegde documenten de alsnog genoemde namen aan openbare bron ontleend konden worden. Voor het oordeel dat het alsnog noemen van deze namen moet worden gezien als een nadere onderbouwing van een reeds eerder ingenomen standpunt is bovendien geen grond aanwezig, nu het hier niet gaat om een nadere onderbouwing, doch om een nadere verklaring die ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in het kader van de besluitvorming door de vreemdeling had behoren te worden afgelegd. De voorzieningenrechter heeft dit evenzeer miskend.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De overige grieven behoeven derhalve geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, oordeelt de Afdeling op grond van het vooroverwogene dat appellant zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het primaire standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is. Aan de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden inzake de zwaarwegendheid van het relaas komt de Afdeling derhalve niet toe. Het inleidend beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen van 18 oktober 2002 in zaak nr. Awb 02/74496 BEPTDN A S7;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H. Troostwijk, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. van der Heide-Boertien, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van der Heide-Boertien

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2003

32-437.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,