Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF3188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
22-01-2003
Zaaknummer
200105217/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105217/1.

Datum uitspraak: 22 januari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen, en [appellant sub 3] te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Heumen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2001, kenmerk 34-2-06, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer appellant sub 1 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet gedeeltelijk geweigerd en gedeeltelijk verleend voor een varkenshouderij op het perceel aan de [locatie]. Dit besluit is op 12 september 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 19 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2001, en appellanten sub 2 bij brief van 24 oktober 2001, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 november 2001.

Bij brief van 24 december 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2002, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. D. Wintraecken, gemachtigde, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

[naam rechtspersoon] heeft zich blijkens de aangehechte verklaring van 16 mei 2002 teruggetrokken als mede-appellant in het beroep van appellanten sub 2.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld ter zitting van 25 november 2002, waar appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een revisievergunning verleend overeenkomstig de aanvraag (maximaal 1490 gespeende biggen, 344 guste- en dragende zeugen, 88 kraamzeugen, 138 opfokzeugen, 1 dekbeer en 192 vleesvarkens) waarbij de vergunning is geweigerd voor het houden van die dieraantallen overeenkomend met 80 mestvarkeneenheden. Voor de inrichting is eerder op 6 maart 1990 een revisievergunning krachtens de Hinderwet en op 20 december 1994 een veranderingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend. Aan deze onderliggende vergunningen kunnen rechten worden ontleend voor het houden van 604 gespeende biggen, 138 guste- en dragende zeugen, 45 kraamzeugen, 358 opfokzeugen, 2 dekberen en 13 stuks jongvee.

2.2. Ter zitting hebben appellanten sub 2 hun beroep ingetrokken voorzover het is gericht tegen het intrekkingsbesluit van 12 juni 2001 dat verweerder ten behoeve van de onderhavige vergunning krachtens artikel 8, vierde lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij heeft genomen.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.4. Appellant sub 1 heeft betoogd dat verweerder de aangevraagde vergunning ten onrechte vanuit een oogpunt van stankhinder gedeeltelijk heeft geweigerd, aangezien de stankhinder ten opzichte van de eerder vergunde situatie afneemt. In dit verband heeft appellant sub 1 aangevoerd dat de afstand van de inrichting tot het dichtstbijgelegen voor stank gevoelige object ten opzichte van de eerder vergunde situatie wordt vergroot en dat de relatieve bijdragen op de relevante voor stank gevoelige objecten ten opzichte van de eerder vergunde situatie gelijk blijven of afnemen.

2.4.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd. Voorzover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft hij toepassing gegeven aan de brochure Veehouderij en Hinderwet. Bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder heeft verweerder het rapport "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij" (Publicatiereeks Lucht, 46) tot uitgangspunt genomen.

2.4.2. Vast staat dat een veebestand is aangevraagd dat overeenkomt met 570,1 mestvarkeneenheden en dat het veebestand van de onderliggende vergunningen overeenkomt met 490,2 mestvarkeneenheden. Vast staat eveneens dat zowel in de eerder als in de thans vergunde situatie niet wordt voldaan aan de afstand die op grond van de Richtlijn minimaal in acht moet worden genomen tot het dichtstbijgelegen voor stank gevoelige categorie III object. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat, hoewel de afstand van de inrichting tot dit voor stank gevoelige object ten opzichte van de eerder vergunde situatie wordt vergroot, in dit geval bij een toename van het aantal mestvarkeneenheden geen sprake is van een aanmerkelijke verbetering ten opzichte van de eerder vergunde situatie. Verweerder heeft er op gewezen dat een verdere reductie van stankhinder mogelijk is door een groter deel van het veebestand dan thans het geval is in Groen Label stallen te huisvesten. In hetgeen appellant sub 1 heeft aangevoerd ziet de Afdeling verder geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vergunningverlening niet kan worden gerechtvaardigd met een beroep op artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer. Verweerder heeft dan ook terecht de vergunning vanuit een oogpunt van stankhinder gedeeltelijk geweigerd.

2.4.3. Naar aanleiding van het bezwaar van appellanten sub 2 heeft verweerder ter zitting erkend dat met een gedeeltelijke weigering overeenkomend met 80 mestvarkeneenheden onduidelijkheid kan ontstaan over het vergunde aantal dieren, nu in de inrichting zowel mest- als fokvarkens worden gehouden. Het bestreden besluit is derhalve in zoverre in strijd met het beginsel der rechtszekerheid.

2.5. Appellanten sub 2 hebben aangevoerd dat de voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 een impliciete weigering van de gevraagde vergunning inhouden.

Ingevolge het aan de revisievergunning van 21 augustus 2001 verbonden voorschrift 2.1.1 mag, voorzover hier van belang, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de binnen de perceelsgrens van de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de binnen de perceelsgrens van inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, bepaald volgens de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai uitgave 1999", in de representatieve bedrijfssituatie (RBS) al dan niet met beperkt frequente bedrijfssituaties (BFB) ter plaatse van woningen van derden dan wel op 55 meter afstand van de grens van de inrichting, niet meer bedragen dan 1, 35 en 0 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge het aan de revisievergunning van 21 augustus 2001 verbonden voorschrift 2.1.2 mag, voorzover hier van belang, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de binnen de perceelsgrens van de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de binnen de perceelsgrens van inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, bepaald volgens de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai uitgave 1999", in incidentele bedrijfssituaties ter plaatse van woningen van derden dan wel op 55 meter afstand van de grens van de inrichting, niet meer bedragen dan 7, 35 en 0 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Daargelaten dat deze geluidvoorschriften naar aanleiding van de ingekomen bedenkingen door verweerder abusievelijk verkeerd zijn aangepast, is het onbestreden dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 tot gevolg hebben dat de blijkens de aanvraag beoogde bedrijfsvoering onmogelijk is, zodat het opnemen van deze voorschriften neerkomt op een weigering van de gevraagde vergunning. Dit verdraagt zich niet met het stelsel van de Wet milieubeheer.

2.6. Het beroep van appellant sub 1 is ongegrond. Het beroep van appellanten sub 2 is gegrond. Nu in dit geval het geluidaspect bepalend is voor het antwoord op de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het gehele bestreden besluit te worden vernietigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van appellant sub 1 bestaat geen aanleiding. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 2 te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 2 gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college burgemeester en wethouders van Heumen van 21 augustus 2001, kenmerk 34-2-06;

III. verklaart het beroep van appellant sub 1 ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heumen in de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 483,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Heumen te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de gemeente Heumen aan appellanten sub 2 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003

154-399.